*

 

De goede afloop

Door: redactie − 08/01/07, 00:00

Wat doen we hier eigenlijk, vragen we

ons niet af zolang het huppelen van wijsjes

uit de luidsprekerboxen voortgaat, in de bomen

hangen ze onzichtbaar, en wij maar denken

dat het vogels zijn die kwinkeleren –

wat doen we hier? Eerst eens voelen of

de voeten warm genoeg en niet al te pijnlijk

verknobbeld zijn, dan even goed luisteren

naar het lichte geborrel in de diepte van ons

ingewand, oude waarzegster die laat weten

of we alweer verrekken van honger zoniet

dorst, je komt er immers niet achter anders

en het moet niet in het honderd lopen in het

hier, het verzandende, de bossige verstuiving

waar de limonadekraampjes de een na de ander

luchtspiegeling blijken als je hijgend dacht

er te zijn – in het hier waar je wandelt en,

door steeds het niet te kunnen laten nog weer

om te kijken naar waar je vandaan kwam,

niet ophoudt te struikelen over stronken,

schrammen op te lopen van ruwe eikenschors

en roest- of bloedrood prikkeldraad,

resten van beschaving. En hoe vaker je terug-

blikt, voortzwoegende, op de wonderschone

zonsopgang roerloos in je rug boven het verre

geboomte dat onhoorbaar ruist, hoe beter je

weet: dat ontwaken van de frisheid van limoenen,

die paradijselijke eerste hap van de tropische

verrassing in een jasje van melkchocolade –

het verblindend prille komt niet weerom.

Wat doen we hier? Wat we niet doen

is opletten. Of is de afgrond onzichtbaar, of

bestaat er geen afgrond voordat je erin valt,

langs gladde steenwand suist? Het gaat

gezwind. In het gras naast de beek op de bodem

wacht God, zo blij als een moeder die al die

tijd thuis is gebleven, met ’n schaaltje pinda’s,

sherry in het glas. En vanachter de bloeiende

bomen, eindelijk daar komen ze, de vermisten

voor wie je onmisbaar, die jij niet missen kon.

Gedichtendagprijs 2006

Uit: IJsgang, De Bezige Bij, Amsterdam, 2006

mailIcon print |