*

 

Brokkenpiloten

Koos Dijksterhuis − 22/08/08, 00:00

Het is een warme middag. Zelfs in Noordoost-Groningen is het warm genoeg om buiten te zitten. Er is thee, er wordt gepraat, maar ondertussen loer ik rond. De aronskelk heeft zijn blad teruggetrokken. Aan zijn steel prijken nu fel oranjerode bessen. Op de grens van tegels, muur en druifstruik krioelt het van de wegmieren. Vliegende wegmieren. Met warm weer zijn mieren gauw te porren voor een bruidsvlucht. De mannetjesmieren krijgen vleugels en kiezen het luchtruim. Voor iets anders deugen ze toch niet, onder mieren is het feminisme ver doorgevoerd. De vrouwen werken, vechten en regeren. En die mannen; soms zijn ze even nodig. Vliegen, jongens! Zelfs dat doen ze onbeholpen. Het lijkt of ze hotsebotsend door elkaar krioelen, maar aan het gekriebel op mijn benen en in mijn nek merk ik dat ze toch neigen naar het hogere. Ook de druifstruik beklimmen ze en de muur. Aan de top wordt klunzig gebalanceerd en dan rijst de mannetjesmier op. De één na de ander. Er is nog een uitvliegend nest, van kleine, gele mieren. Weidemieren, denk ik. Hun gevleugelden zijn donkerder en groter dan de achterblijvers en stuntelen net als de wegmieren omhoog. Tegen de bewolkende lucht zijn overal zwarte stippen te zien: vliegende mieren. De geluksvogels ontmoeten een koningin om mee te paren. Koninginnen zijn vruchtbare vrouwtjesmieren die nu ook vliegen. Na de paring hopen ze een nieuw volk te stichten en werpen of bijten ze hun vleugels af. De mannen zijn overbodig en sterven. Vele treft dat lot zonder dat hun de eenwording des vlezes is vergund. Grote libellen snorren toe, hap snap mieren etend. Iets hoger wervelen boerenzwaluwen. Plotseling stuiven die kwetterend uiteen. Een boomvalk jakkert over.

mailIcon print |