De commissie-Dijsselbloem lijkt zo kritisch, maar is het niet. De aanbevelingen lijken als twee druppels water op het beleid dat de commissie zelf verwerpt.
Wie als enig gereedschap een hamer heeft, ziet overal spijkers. Dat schoot mij in gedachten toen ik het rapport van de commissie-Dijsselbloem las. Het rapport kreeg alom waardering vanwege de kritiek op het stelselmatige overheidsingrijpen in het onderwijs. Door de overmaat aan Haags handelen is het onderwijs er niet beter op geworden, vindt de commissie. Het moet anders.
Wie nieuwsgierig doorleest, doet een verrassende ontdekking. Deze kritische commissie blijkt precies dezelfde kijk op de zaak te hebben als zijn politieke voorgangers. De aanbevelingen van de commissie-Dijsselbloem zijn vrijwel zonder uitzondering pleidooien voor stevige interventies van Den Haag. En opnieuw zijn het, naar de stellige overtuiging van de Kamerleden, precies de goede ingrepen. Ik kon de gedachte niet van me afzetten: ze grijpen opnieuw naar de hamer en het onderwijs is nog steeds een verzameling spijkers.
De kritiek van het parlementair onderzoek richtte zich zowel op de ’oude’ politiek als op het onderwijsveld zelf. De politiek heeft de verkeerde onderwijshervormingen tot stand gebracht en overhaast uitgevoerd – dankzij de praktische houding van veel scholen zijn de gevolgen overigens meegevallen. Het onderwijsveld verwierf gaandeweg meer autonomie, maar maakte er slecht gebruik van. Daarom spreekt Dijsselbloem zich uit voor een nieuwe, heldere afbakening van de verantwoordelijkheden. De overheid moet het ’wat’ van het onderwijs bepalen, de scholen het ’hoe’.
Dat lijkt een evenwichtige taakverdeling. Maar wie leest wat de commissie onder dat ’wat’ verstaat, ziet dat de bepleite taakverdeling nogal scheef is. De overheid bepaalt voortaan de inhoud van het onderwijs en de te bereiken kennisniveaus, ze toetst en controleert of de doelen worden bereikt, ze verschaft de budgetten en faciliteiten, legt de onderwijstijd wettelijk vast, en zal zorgvuldiger te werk te gaan bij plannen voor onderwijsvernieuwing.
Wat blijft er bij dat alles over voor de scholen? Die gaan over het pedagogisch-didactisch klimaat. De ene school mag het nieuwe leren praktiseren, de andere kan de docentgestuurde, frontaal-klassikale aanpak in ere houden. Je hoort de commissie denken: zolang de rijksoverheid maar kan blijven meten of de leerlingen voldoende weten, is het ons een zorg hoe een school het doet.
De analyse van de commissie blijft te veel aan de oppervlakte en de aanbevelingen lijken als twee druppels water op de aanpak van hun bekritiseerde voorgangers. Het is een gemiste kans om de bakens werkelijk te verzetten en de verhoudingen tussen overheid en onderwijsveld grondig te herzien.
Goed onderwijs moet. Daarover is iedereen het eens. Maar wat daarvoor nodig is, daarover lopen de meningen uiteen. Over de kern bestaat overeenstemming. Prettige scholen, dat willen we allemaal wel. En goede docenten, met liefde voor het vak en toewijding aan de leerlingen. In de ideale school zijn zulke deugden rijkelijk voorhanden.
Ouders van schoolgaande kinderen zijn tevredener over het onderwijs dan de rest van de bevolking. Dat zegt iets. Ik leid er uit af dat betrokkenheid essentieel is voor een goed oordeel. Van afstand gezien, verwordt het onderwijs tot een anoniem stelsel met statistische resultaten van standaarddocenten en managers. Dan zien we alleen gemiddelden. De politieke discussie over het onderwijs lijkt dan al gauw op een debat over het openbaar vervoer of het belastingstelsel.
Wat nodig is, is dat scholen weer een zelfstandige en centrale positie krijgen. De commissie-Dijsselbloem had beter een schets kunnen geven van de ideale school, waar elke leerling telt en docenten de toon zetten. Het rapport wijst herhaaldelijk op de grote verschillen tussen leerlingen in talent en achtergrond. Dat zijn goede redenen voor een rijke diversiteit aan scholen.
In plaats van een stortvloed aan nieuwe maatregelen van de rijksoverheid te presenteren, hadden de Kamerleden bij de school zelf moeten beginnen. Natuurlijk zijn er nationale kaders en kwaliteitsgaranties nodig. Maar in plaats van daarop te hameren, had de commissie geschiedenis kunnen schrijven door met nadruk voor eerherstel voor de school te pleiten. En alleen voor die overheidsinterventies die de school en haar leerlingen en docenten verderhelpen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.