*

 

Vechten voor verzoening

Gert Jan Rohmensen − 12/04/08, 00:00

De Afghaanse regering probeert talibanstrijders los te weken uit de rebellenbeweging en hen te verzoenen met de autoriteiten. Een moeizaam proces met onzekere afloop. De ex-talibs worden namelijk door de huidige talibancommandanten als verraders beschouwd. Ook de regering vertrouwt hen niet volledig.

’Het is een zogenaamd proces”, bromt Mollah Rakety in zijn zwarte baard. De voormalige talibancommandant heeft geen goed woord over voor de manier waarop de Afghaanse regering van president Hamid Karzai probeert het voormalige hogere kader van het talibanbewind aan haar zijde te krijgen.

Mollah Rakety dankt zijn bijnaam aan het feit dat hij in de jaren tachtig als verzetsstrijder van de moedjahedien erg trefzeker was bij het afvuren van raketten op het sovjetleger. In de tweede helft van de jaren negentig sloot hij zich aan bij de taliban en werd een prominent bataljonscommandant in het oostelijke Jalalabad.

Na de val van het talibanregime eind 2001 keerde Rakety de beweging van extremistische koranstudenten de rug toe en koos de kant van de regering. Hij ging in de reguliere politiek en staat nu bekend als een van de zogeheten gematigde taliban. In 2005 werd hij in het Afghaanse parlement gekozen.

De Afghaanse regering heeft enige tijd gehoopt dat deze hoge ex-talibs in staat zouden zijn het huidige leiderschap van de talibanrebellen ervan te overtuigen hun guerrillaoorlog tegen de autoriteiten te staken, maar die hoop lijkt ijdel. De ex-talibs worden door de huidige talibancommandanten als verraders beschouwd, en ook de regering vertrouwt hen niet volledig.

„Het verzoeningsproces is cruciaal voor Afghanistan, maar sinds wij als gematigde taliban de kant van de regering hebben gekozen, blijkt daar niets tegenover te staan”, foetert Mullah Rakety, terwijl hij zijn zwarte tulband even recht zet. „Wat wij als gematigde taliban willen is dat we serieus worden genomen en dat er naar onze adviezen geluisterd wordt. Maar in plaats daarvan staan we nog steeds op de zwarte lijst, waardoor de huidige talibanleiders de indruk krijgen dat ze van deze regering niets goeds te verwachten hebben.”

Bij de lagere kaders van de taliban heeft de Afghaanse regering wel enig succes geboekt bij het verzoeningsproces. Daarvoor werd twee jaar geleden de Onafhankelijke Nationale Commissie voor Vrede in Afghanistan opgericht die tot taak heeft talibanrebellen over te halen de wapens in te leveren en hun strijd tegen de Afghaanse overheid en de internationale troepenmacht te staken. In ruil daarvoor krijgen zij immuniteit voor rechtsvervolging en hulp bij hun reïntegratie in de Afghaanse samenleving.

Ook bemiddelt de commissie bij de vrijlating van vermeende strijders, inmiddels 666 in getal. Bij een bezoek aan het zwaar beveiligde pand van de commissie in de hoofdstad Kaboel, dat schuilgaat achter massieve rood-wit geschilderde betonblokken en een hoge muur, blijkt dat er net een groepje van elf mannen is vrijgelaten uit de beruchte Pol-i-Charkhi gevangenis.

In het kantoor kunnen ze douchen, krijgen eten, schone kleren, een nieuwe tas en een gebedskleedje. De mannen zijn dolblij en zien er fris gewassen uit. Ze dragen splinternieuwe kleren met de vouwen er nog in. Een van de mannen heeft in de opwinding vergeten het kaartje van zijn vest te halen. Sommige knielen op hun nieuwe gebedskleedjes met het gezicht naar Mekka.

Deze mannen mogen nu terug naar hun familie en hun dorpen, na vaak twee, drie jaar of langer te zijn vastgehouden in de Amerikaanse gevangenissen op de luchtmachtbasis in het Afghaanse Bagram of op Guantánamo. Meestal om onduidelijke redenen, zeggen de mannen.

„Ik ben 23 maanden vastgehouden, eerst in Bagram en toen in Pol-i-Charkhi en ik weet nog steeds niet waarom. Ik heb geen enkele connectie met de taliban”, bezweert de 33-jarige Habibullah uit de provincie Paktia. Ook de 34-jarige Abdul Malik uit Zaboel zegt dat hem niets ten laste is gelegd.

Al deze voormalige gedetineerden hebben een verklaring moeten tekenen, waarin ze beloven dat ze zich niet zullen aansluiten bij de taliban of andere anti-regeringsgroeperingen. Actieve strijders die de wapens willen neerleggen kunnen zich zelf melden bij een van de elf districtskantoren in de meest onrustige provincies. Ook zij moeten dan een verklaring tekenen.

Het administratieve hoofd van de commissie, Mohammed Akran, laat een stapeltje zien. De meesten zien eruit als gewone Afghaanse mannen die je overal op straat tegenkomt, hoewel er ook één tussen zit met een woeste blik in de ogen en een raketwerper op de arm. Maar ook hij heeft zijn handtekening en vingerafdruk gegeven voor de verzoening.

Zo’n 5600 taliban zijn deze bebaarde strijder inmiddels voorgegaan, en de commissie probeert nog 3000 anderen uit de strijd te halen. Het gaat vooral om kleine vissen, maar ook een neef van de beruchte talibanleider Mollah Omar, die nog altijd voortvluchtig is, heeft zich aan de zijde van de regering geschaard, meldt Akran niet zonder trots.

Het effect op de voortdurende oorlog in het zuiden en oosten is echter nauwelijks merkbaar. Nog altijd zijn er vele verzetshaarden en vechten buitenlandse en Afghaanse troepen vrijwel dagelijks tegen de Opposing Militant Forces (OMF), zoals de diverse vijandelijke strijdgroepen in militair jargon worden genoemd. Om nog niet te spreken van de regelmatig voorkomende zelfmoordaanslagen en bermbommen. Vorig jaar zijn er volgens de Verenigde Naties door geweld meer dan 8000 doden gevallen, onder wie zeker 1500 burgers. Het was het bloedigste jaar sinds de val van het talibanbewind, eind 2001.

Nu er ondanks alle militaire inspanningen geen eind lijkt te komen aan de taliban-guerrilla, gaan er opnieuw stemmen op die willen onderzoeken in hoeverre er met meer gematigde leiders van de taliban te praten valt. De Britse premier Gordon Brown opperde het idee vorig jaar december, en het werd onlangs door de Britse defensieminister Des Browne nog eens herhaald.

„Wat je moet doen bij conflictbeheersing is dat je de mensen die denken dat zij hun politieke ambities met geweld kunnen verwezenlijken op de gedachte moet brengen dat ze hun politieke ambities kunnen waarmaken via de politiek”, zei Browne, die eerder als minister voor Noord-Ierland ervaring opdeed met conflictbeheersing, tegen de Daily Telegraph. „Het lijdt geen twijfel dat sommigen van hen, als we slagen, zullen willen overstappen naar de politieke dimensie.”

De Britse positie is controversieel, want met terroristen praat je niet, daar vecht je tegen, luidt doorgaans de regel. Hoe omstreden bleek afgelopen december toen duidelijk werd dat een diplomaat die werkte voor de Britten op eigen houtje gesprekken voerde met talibancommandanten na de val van het talibanbolwerk Musa Qala in Helmand. De Afghaanse regering kon dat solistische optreden niet waarderen en wees hem en een andere betrokkene uit. De goede betrekkingen met Londen liepen daardoor een flinke deuk op.

Toch is praten volgens veel waarnemers in Afghanistan uiteindelijk de enige manier om het conflict op de langere termijn op te lossen. De regering van president Karzai begrijpt dit ook en heeft naar verluidt al sinds 2003 in het geheim contacten met gematigde leden van de taliban.

Die gesprekken hebben totnogtoe echter weinig vruchten afgeworpen, en de regering-Karzai heeft haar standpunt verhard. Ze eist nu dat de huidige talibancommandanten eerst de wapens neerleggen en de aanwezigheid van buitenlandse troepen in Afghanistan accepteren voordat er verder gepraat wordt. Maar door de voorwaarden vooraf raken de regering en de huidige leiders van de talibanopstand verder vervreemd van elkaar, en lijken onderhandelingen over een eventuele overstap van meer gematigde commandanten naar de reguliere politiek ver weg.

Oud-talibancommandant Mullah Rakety heeft naar eigen zeggen destijds een paar keer geadviseerd en bemiddeld tussen de regering en de neo-taliban. Hij is voor vrede en samenwerking, maar onderhandelen ziet hij zichzelf niet. „Ik ben daarvoor niet in de positie. Alleen iemand die het vertrouwen heeft van zowel de Verenigde Staten, de Afghaanse regering en de taliban kan deze taak op zich nemen. Maar de eerste twee partijen vertrouwen ons niet.”

Ook Mollah Abdul Salam Zaeef is niet beschikbaar als bemiddelaar. De voormalige talibanambassadeur in Pakistan staat ook te boek als gematigd, maar is verbitterd geraakt door vier jaar Amerikaanse detentie in Bagram en Guantánamo. Hij zegt daar ernstig te zijn mishandeld en doof te zijn geworden aan een oor.

„Laat mij maar rustig thuis zitten en voor mijn kinderen zorgen. Je zult mij niet zien bemiddelen in deze situatie”, zegt Zaeef, net als Rakety nog altijd getooid met een zwarte tulband, die destijds kenmerkend was voor de taliban. „Ik ben bereid alles te doen voor Afghanistan, maar niet voor de Amerikanen. Zolang zij hier zitten zal de verzoening geen vruchten afwerpen.”

Zaeef vindt eventuele bemiddelingspogingen met het huidige leiderschap van de taliban door hem en andere ’gematigden’ zinloos. „Waarom zouden zij naar ons luisteren? We hebben hun geen argumenten te bieden. Zij zeggen: ’Voor ons ben je gewoon de zoveelste Amerikaan en je weerhoudt ons van de djihad’.”

Niet alleen de oude kopstukken van de taliban hebben de huidige opstandelingen weinig te bieden, ook de regering-Karzai heeft geen duidelijke strategie en lijkt af te wachten. In dat vacuüm dook onlangs de machtigste oppositiepartij van Afghanistan op, het United National Front. Dit vorig jaar opgerichte samenraapsel van parlementsleden, ministers en beruchte krijgsheren van de Noordelijke Alliantie liet weten wel gesprekken te voeren met de taliban.

„Leiders van sommige talibangroepen hebben contact met ons opgenomen”, zei een woordvoerder van het United National Front vorige week tegen de Amerikaanse krant The Christian Science Monitor. „We zijn allebei moslims, we zijn allebei Afghaans en we zijn allebei niet tevreden met de prestaties van de regering.”

Met welke talibanleiders het UNF precies contact heeft is niet duidelijk, noch wat er inhoudelijk wordt besproken. Een logische gesprekspartner is het UNF in elk geval niet, met dezelfde krijgsheren binnen zijn gelederen die herfst 2001 nog tegen de taliban vochten aan de zijde van de Amerikanen. Maar logica is vaak ver te zoeken in Afghanistan, waar krijgsheren net zo makkelijk van loyaliteit wisselen als van jas.

Een woordvoerder van de taliban ontkende deze week de contacten ten stelligste. Volgens hem heeft de top van de beweging geen enkel plan voor gesprekken met het UNF. „Het zijn communisten en moedjahedien die alleen maar geïnteresseerd zijn in hun eigen belangen en hun eigen leven”, schamperde talibanwoordvoerder Qari Yosuf Ahmadi tegen Erada, het enige onafhankelijke dagblad in Afghanistan. „Ze logen vroeger, ze liegen nu en respecteren de nationale en islamitische waarden niet.”

Of er nu wel of geen contacten zijn, duidelijk is dat het UNF bezig is zich te profileren als alternatief voor Karzai met het oog op de presidentsverkiezingen van volgend jaar. Karzai, die afgelopen weekeinde meldde inderdaad een tweede ambtstermijn te ambiëren, krijgt in eigen land en daarbuiten nogal wat kritiek op zijn beleid. En in het door alle oorlogen vermoeide Afghanistan zal de partij die het geweld weet te stoppen haar kansen op het presidentschap waarschijnlijk sterk vergroten.

mailIcon print |