Woest, aards, complex, weerbarstig: critici kwamen woorden te kort om Ter Balkts laatste bundels te prijzen, zoals ’Laaglandse hymnen’ (2003) en ’Anti-Canto's en De Astatica’ (2004). Al die termen zijn ook van toepassing op deze nieuwe bundel, al zouden we er ’vurig’ aan toe moeten voegen. Vurig geïnspireerd neemt Ter Balkt de moderne mens de maat en toont zich solidair met de bedreigde natuur. De ’peppels’ spreekt hij toe: „Het jaagt drukdoend door je bladeren. (...) Wijk niet voor de klompenmakers.” Tot de brem: „Brem bij je akkers weersta de winter!”
Een onderhoudende podiumtijger, is Tjitse Hofman wel genoemd. Van diepe inzichten of verrassende observaties moet deze dichter het niet hebben, maar zijn gedichten bekken inderdaad goed. Aan een boom: „Zo reus / hebben ze een uilenkast / aan je bast genageld // Wat een rotstreek zeg.”
„Ayatollahs kardinalen goeroes lama’s predikanten / alles in de blender wrrrrrrrrrrrrrrrrrrr alles in de blender”, klinkt het in één van de gedichten in deze bundel. Vrolijk en verstaanbaar klinkt ook Heytze, als vanouds, maar het ontbreekt deze bundel evenmin aan verrassende beelden en dito ideeën, dichterlijke vondsten, existentiële ernst en tederheid (’Alles in de wereld ligt in een enorm warm bad van niets.’) Een rijk en gevarieerd geheel.
’Een hoogst merkwaardige en interessante romanticus’ noemde Peter de Boer deze dichter uit Hasselt, die trouwens ook andere genres (toneel, columns, essays) beoefent. Zijn tiende bundel fonkelt wederom van sappige zintuiglijkheid: „Prins Varken, geen gelamenteer, verander snel in koteletten, in bloedworst, reuzel, stoverij. (...)”. Maar thematisch en formeel is Gruwez niet voor één gat te vangen. Hij dicht ook over moederende moeder, over het hiernamaals (’een stiefsoort heden’) over Mozart (’Ach, dat soort lastpakken met ADHD’) en, natuurlijk, over poëzie.
Gedetailleerde, maar leesbare studie. Franssen, die moderne Nederlandse letterkunde doceert, vraagt zich af hoe het komt dat Kouwenaars sober ogende werk zulke tegenstrijdige interpretaties oplevert.
Ruim tachtig Nederlandstalige dichters schreven voor deze bundel een vers: Benali, Enquist, Martin Bril, Menno Wigman en vele, vele andere. Leo Vroman bijvoorbeeld: „ Elvis daarentegen / geloofde in zijn Geluid / en moest er van buik tot stuit / erg van bewegen.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.