Het Kamerlid De Roon van de Partij voor de Vrijheid stelde dinsdagmiddag voor, naar aanleiding van de tv-uitzending van Peter R. de Vries over de zaak-Holloway, een spoeddebat te houden met de minister van justitie. Maar niemand viel hem bij. De Kamer praat in beginsel niet over individuele zaken en zou ze dat in dit geval wel doen, dan zou dat niet in het belang van de zaak zijn. Het Openbaar Ministerie was nu aan zet, de politiek moest zich terughoudend opstellen.
De Roon deed, geconfronteerd met deze bezwaren, geen poging te preciseren waarover hij met minister Hirsch Ballin wilde debatteren. Zijn motivering was dat de tv-uitzending onder het publiek veel consternatie had veroorzaakt: ongenoegen, zelfs woede en verwarring. Van het debat zou, viel uit zijn woorden op te maken, een ordenend effect kunnen uitgaan. Dat is een geldig motief, dat aansluit bij de niet onbelangrijke taak van de politiek, de volksvertegenwoordiging bij uitstek, publieke emoties te kanaliseren.
Dat de overige fracties er desondanks niet aan wilden, laat zien dat politici zichzelf op dit punt niet meer vertrouwen. De kamerleden Heerts (PvdA) en Azough (GroenLinks) spraken zelfs onomwonden het vermoeden uit dat hun PVV-collega er louter op uit was een graantje mee te pikken in de Holloway-hype. Zoals de waard is, vertrouwt hij zijn gasten. Feit is dat de Kamer voor kwesties van minder maatschappelijk belang bijeen is gekomen, en over zaken van groter gewicht het spoeddebat niet heeft geschuwd.
Nu was de chef van het Openbaar Ministerie, Harm Brouwer, de hele politiek een stap voor met zijn pleidooi voor een breed maatschappelijk debat over de vraag hoe ver burgers mogen gaan bij het opsporen van misdrijven en verdachten. Die vraag overstijgt het strafrechtelijk onderzoek in de zaak-Holloway. De nieuwe technologische mogelijkheden, die de samenleving al bijna ongemerkt het karakter geven van een panopticum, maken het noodzakelijk op dit vlak grenzen te trekken.
De methoden die De Vries gebruikte, een burgerinformant en een verborgen camera met microfoon, onderstrepen de urgentie. De scheidslijnen tussen wat publieke ruimte en persoonlijke levenssfeer vervagen, zoals het onbenullige relletje over de vermeende escapades van een Nijmeegse wethouder in de fietsenkelder van het stadhuis al leerde. Het parlement kan voor dit vraagstuk als medewetgever enige tijd nemen, maar de gemiste kans was deze week dat het had moeten doen wat Brouwer nu deed: voorbij de emotie de ratio opzoeken en de publieke discussie richting geven.
In het licht van zijn vraag naar de grenzen is het minder begrijpelijk dat dezelfde Brouwer vindt dat Peter R. de Vries ’goed journalistiek werk’ heeft geleverd. Het gebruik van undercover-methoden kan in ons vak gerechtvaardigd zijn, als het met de gebruikelijke middelen niet lukt een ernstige maatschappelijk misstand aan het licht te brengen. In vrijwel alle andere gevallen moet het als erger dan de kwaal en als strijdig met de vakethiek worden beschouwd. In deze sfeer geldt nog een ander onderscheid. De Vries poogde iemands schuld te bewijzen. Dat is wat anders dan proberen de onschuld van een veroordeelde aan te tonen.
In de jaren twintig van de vorige eeuw verwierf de journalist Kick Geudeker heldendom door een justitiƫle dwaling aan het licht te brengen in de beruchte moordzaak op een spoorwegwachter in Giessen-Nieuwkerk. Tijdens het proces tegen de twee verdachten rees bij hem twijfel over de bewijsvoering. Met zijn horloge in de hand fietste hij de route na die de verdachten zouden hebben gereden, en concludeerde dat zij dat nooit in de tijd hadden kunnen doen die in het proces-verbaal stond vermeld. Nieuw onderzoek wees uit dat de cruciale getuigenverklaring onder druk van de met de zaak belaste rechercheur tot stand was gekomen. Het hof in Amsterdam kwam tot dezelfde conclusie en sprak de mannen vrij.
Vermoedelijk sprak Brouwer in de richting van de kritische media vooral als een OM’er, diep gefrustreerd over een vastgelopen onderzoek; een zaak die ook buiten het koninkrijk de aandacht heeft getrokken. Vanuit die optiek is het begrijpelijk dat justitie blij is met nieuwe informatie die de zaak kan vlottrekken. Die vreugde zou echter getemperd moeten worden door de zorg over een zuivere procesgang. De ervaring wijst uit dat een hype schadelijke effecten daarop heeft, want hoe gek het ook lijkt, het verschijnsel is van alle tijden.
Aan het eind van de negentiende eeuw beklaagde de advocaat Cort van der Linden, de latere premier, zich over de hetze in de pers tegen zijn cliĆ«nt Hendrik Jut, een kelner die werd verdacht van de brute moord op een rijke Haagse weduwe en haar dienstmeisje. Jut werd, nadat hij jaren na het misdrijf was opgepakt, in de kranten zozeer als ’een monster’ afgeschilderd, dat het volgens Cort onbegonnen werk was de beeldvorming, die sterk afweek van de droge feiten in de rechtszaal, nog bij te stellen, laat staan te doorbreken. Dat lukte dan ook niet. Jut kreeg levenslang en leeft nog altijd voort als de kermisattractie waarbij het publiek zich letterlijk op zijn kop kan afreageren.
In deze geschiedenis kan een relativering worden gevonden van de hype die Peter R. de Vries bewust heeft losgemaakt, maar ook een waarschuwing dat de publieke emotie in een rechtsstaat rationeel tegenwicht verdient. Het had niet veel gescheeld of een onschuldige jongen uit Drachten was als de kop van Joran gebruikt. De Kamer reageert doorgaans zo hypergevoelig op de waan van de dag dat ze achter zichzelf lijkt aan te hollen. In dit geval had ze een spoeddebat moeten houden om de gekte in te tomen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.