*

 

Wilders legt een cordon sanitaire om zijn tegenstanders

Hans Goslinga − 01/03/08, 00:00

Het PVV-Kamerlid Geert Wilders heeft het voor elkaar gekregen om louter met de aankondiging van een film tegen de Koran de natie wekenlang in gijzeling te nemen. De regering is in staat van paraatheid, evenals islamitische voorgangers binnen en buiten de grenzen, de politieke tegenstanders van Wilders zijn verdeeld, de media hebben draaiboeken gereed liggen voor het uur U.

Het is, op het eerste oog, een prestatie van formaat voor een politicus die nog geen zes procent van de bevolking vertegenwoordigt, dat hij zoveel aandacht weet te mobiliseren voor het kernpunt van zijn politieke streven, de strijd tegen wat hij noemt de islamisering van de samenleving. Hoe is dat mogelijk?

Het antwoord ligt voor een deel in de politicus Wilders, die feilloos weet in te spelen op de gemoedstoestand van de natie, trefzeker de zwakke plekken van zijn politieke opponenten vindt en handig gebruik maakt van de spektakelzucht van de media.

Dat kan een prestatie worden genoemd, maar deze waardering wordt krachtig getemperd door het feit dat hij zich aan de democratische spelregels niets gelegen laat liggen. Hij heeft voor zichzelf een speelveld gecreëerd dat minder beperkingen kent dan dat van zijn tegenstanders. Dat verschaft hem de ruimte om met zevenmijlslaarzen door de porseleinkast van de democratische rechtsstaat te banjeren en maakt hem tegelijk ongrijpbaar.

Deze manier van opereren vloeit grotendeels voort uit zijn politieke inzet, die zich niet verdraagt met de democratische notie dat je rekening houdt met de belangen en geestelijke vrijheid van minderheden. Hij maakte die inzet duidelijk in 2003, toen hij als VVD-kamerlid, samen met zijn fractiegenote Ayaan Hirsi Ali, een ’liberale jihad’ uitriep tegen de islam. Het belang van die strijd weegt voor hem zo zwaar dat elementaire rechten en wetten van de rechtsstaat, zoals de godsdienst- en onderwijsvrijheid, daaraan ondergeschikt zijn. Het tweetal sprak toen nog over de ’radicale islam’ als doelwit, Wilders scheert inmiddels de hele islam over één kam, niet als een geloof maar als een gewelddadige ideologie die de westerse liberale cultuur bedreigt.

Zijn liberale jihad ligt in zekere zin in het verlengde van de ontzuiling en ontkerkelijking die, opgevat als de bevrijding van het individu uit de greep van de kerk, het culturele klimaat in Nederland vanaf de jaren zestig een anti-religieus karakter hebben gegeven. In mijn beschouwing van vorige week noemde ik Wilders een product van deze cultuur, die zich behalve door intolerantie tegenover christenen kenmerkte door een ver doorgedreven Ni Dieu, ni maître, in 2002 culminerend in het adagium van de Fortuyn-revolte ’Ik zeg wat ik denk, ik doe wat ik zeg’.

Wilders is niet de enige die dat adagium heeft opgevat als de vrijheid om te zeggen dat de islam een achterlijke cultuur is die de westerse manier van leven bedreigt. Daarin ligt de tweede verklaring voor zijn succes om aandacht te mobiliseren. In Nederland is de liberale cultuur, met de gecodificeerde gelijkwaardigheid van man en vrouw, hetero en homo, vrije abortus, vrije euthanasie, legale prostitutie en vrije porno van een ongekende moderniteit. De afstand tot de leefgewoonten van de immigranten, vaak afkomstig van het platteland, is zo groot dat de kloof een relevante politieke factor is geworden.

Dat is ze al op zichzelf – met de vraag of je kiest voor geleidelijke integratie of een geforceerde aanpassing – maar ook omdat deze kloof een open zenuw in de samenleving vormt, waardoor de minste of geringste beroering al voldoende is om onrust teweeg te brengen. Wilders maakt van deze omstandigheid bij uitstek gebruik, geholpen door het feit dat in politiek Den Haag het leiderschap ontbreekt dat, zoals de denker Jacques de Kadt ooit scherp omschreef, ’gezag afdwingt door rustige zekerheid en beschaafde beslistheid, zonder tot starre ernst te verstrakken’.

De Haagse politici zijn tot nu toe onmachtig gebleken Wilders effectief van repliek te dienen. Dat is ook lastig, omdat hij zich met zijn anti-Koranfilm beroept op het grondrecht van de uitingsvrijheid. Dat beroep is terecht, maar het is tekenend voor de verwarring dat zijn interpretatie van deze vrijheid als ’domweg zeggen wat je denkt’ zo weinig tegenspraak losmaakt.

De Indonesische president Susilo Bambang Yudhoyono omschreef ten tijde van de Deense cartoonrellen het herhaaldelijk afdrukken van deze spotprenten als ’een demonstratie van gevoelloze heldhaftigheid die geen enkel democratisch doel dient’.

Hij doelde daarmee op het risico dat een moslim zich zal afwenden van de democratie, als deze niet in staat is zijn heilige symbolen te beschermen. Het is de vraag of deze waarschuwing in het seculiere Nederland nog op waarde kan worden geschat, omdat zulke uitspraken al snel worden uitgelegd als een doorbreking van de scheiding tussen kerk en staat.

De derde reden om Wilders niet gemakkelijk te laten wegkomen is dat de uitzending van zijn film in de context van zijn jihad moet worden gezien. Met andere woorden, hij gebruikt de uitingsvrijheid niet als recht, maar als wapen en als middel om zijn politieke opponenten in hun democratische fatsoen te gijzelen.

Vanwege dat fatsoen hebben de tegenstanders van Wilders afgezien van een cordon sanitaire, maar ondertussen heeft het PVV-kamerlid zo’n cordon wel rondom hen gelegd door het debat uit de weg te gaan, democratische noties aan zijn laars te lappen, tegenspraak te beantwoorden met straattaal en, zich storend aan God noch gebod, volledig zijn eigen gang te gaan.

mailIcon print |