De taalachterstand onder allochtonen valt, ondanks intensieve campagnes, maar niet weg te werken. Vooral Turkse Nederlanders scoren slecht. Op zoek naar de oorzaak hiervan blijkt dat het vooral in de kinderjaren fout gaat.
Het is complexe materie, zucht Ahmet Azdural, directeur van het Inspraak Orgaan Turken. Marokkaanse en Turkse Nederlanders zijn zich bewust van hun taalachterstand die, ondanks dertig jaar achterstandsbeleid, allesbehalve kleiner wordt.
Azdural somt een lijstje struikelblokken op: „Kinderen komen laat met de Nederlandse taal in aanraking, ze komen uit taalarme milieus. In het onderwijs wordt geen rekening gehouden met meertaligheid, ouders kunnen hun kinderen daar niet in begeleiden, gezinnen hebben weinig sociale contacten met Nederlanders, kijken te veel Turkse tv... En zo kan ik nog wel even doorgaan.”
Is het de buitenwereld die steeds meer en beter eist, of zijn het de allochtonen zelf die steeds hogere eisen stellen aan hun Nederlands? Hoe dan ook: de lat ligt hoger, zo concludeerde prof. dr. Han Entzinger, hoogleraar migratie- en integratiestudies aan de Erasmus Universiteit na een onderzoek in Rotterdam.
Entzinger vergeleek in zijn onderzoek resultaten uit 1999 met die van 2006. In 1999 zei 57 procent van de Turken ’erg goed’ tot ’goed’ Nederlands te spreken. Zeven jaar later nog maar 36 procent. Bij Marokkanen daalde het percentage van 72 naar 51. De geïnterviewden beoordeelden hun eigen leesvaardigheid ook een stuk lager. Het percentage ’erg goed’ daalde van 56 naar 43.
Cijfers van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) over de integratie van de grote groepen niet-westerse allochtonen wijzen in dezelfde richting. Vooral de Turkse Nederlanders scoorden in een laatste onderzoek slecht. Het SCP concludeerde: „De Turkse gemeenschap is naar binnen gekeerd. Ze gaan in hun vrije tijd weinig om met autochtone Nederlanders en gaan zelden gemengde huwelijken aan. 50 procent van de Turken heeft moeite met de Nederlandse taal. Nederlands wordt binnen Turkse huishoudens, met partner of kinderen, ook weinig gesproken. Dit werkt door in de schoolprestaties van de kinderen.”
Directeur Azdural van het IOT, spreekbuis voor 250 aangesloten organisaties, herkent en erkent de problemen en cijfers. Turkse scholieren halen gemiddeld een slechtere Cito-score dan andere bevolkingsgroepen, de eerder opgelopen taalachterstand wreekt zich vaak op de middelbare school. „Turks-Nederlandse scholieren knokken tien jaar lang in de achterhoede. Dat levert heel veel frustratie op, met een hoge schooluitval als gevolg.”
Het gaat dus fout in de eerste jaren, zegt ook Fouad Sidali, voorzitter van SMN, Samenwerkingsverband van Marokkanen in Nederland. „De taalverwerving begint in de beginfase van het leven. Daar kan de baby, de peuter, de kleuter, de taalachterstand oplopen als er niet voldoende aandacht aan wordt besteed. Dit gebeurt vooral bij kinderen die opgroeien in gezinnen waar ouders geen of nauwelijks scholing hebben genoten. Deze ouders hebben hun kinderen weinig vermoeid met taal. Niet met Nederlands, maar ook niet met een andere taal.”
Niet alleen het opleidingsniveau van de eerste generatie Turken is een belangrijke factor, zegt Azdural. Hij wijst ook op de gebrekkige kennis van het Nederlandse schoolsysteem van nieuwkomers. Daarbij, zegt de IOT-directeur, helpen al die schotelantennes niet om eventuele taalachterstanden in te halen.
Het is een kwestie van mogelijkheden en omstandigheden, zegt Azdural. „Je kunt in Nederlandse kiosken tal van Turkse kranten krijgen en via de schotel alle zenders. In veel Turkse huishoudens wordt zeventig, tachtig procent van de tijd naar Turkse tv gekeken. Via je je schotel kun je zelfs het nieuws van kleine steden in Turkije volgen. Er zijn mensen die beter op de hoogte zijn van het weer in Trabzon dan hier, buiten.”
Dat laatste ligt bij de Marokkaanse gemeenschap anders, denken ze bij het IOT. „De meeste Marokkanen hier zijn Berbers. Die taal is in eigen land niet officieel en dat heeft tot gevolg dat er hier in Nederland niet zo’n groot aanbod aan kranten en tv-programma’s voor hen is. Nederlands is daardoor veel méér hún taal. Dat zie je: de tweede generatie Marokkanen spreekt onderling Nederlands. De tweede generatie Turken spreekt Turks.”
Dat zou de iets betere cijfers uit Marokkaanse kring verklaren. Maar die ’kleine papieren overwinning’ stemt SMN niet euforisch. Voorzitter Sidali blijft reëel: „Ook in Marokkaanse gezinnen wordt niet of nauwelijks voorgelezen en gelezen. Er worden ook geen educatieve tv-programma’s bekeken die de (taal)nieuwsgierigheid van het kind kunnen stimuleren. Daarnaast blijven deze kinderen meestal tot hun vierde thuis omdat minstens een van de ouders werkloos is. Het is dan logisch dat deze kinderen een taalachterstand oplopen”, aldus Sidali.
Staatssecretaris Sharon Dijksma van onderwijs maakte vorige week afspraken met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten over kinderen met een taalachterstand. Die krijgen uiterlijk vanaf 2011 een taalcursus aangeboden. Dat moet gebeuren voordat zij naar de basisschool gaan. De cursus is vrijwillig.
Gemeenten zullen via consultatiebureaus bepalen welke kinderen tussen de 2,5 en 4 jaar taalles nodig hebben. Daarnaast krijgen ze de verantwoordelijkheid te zorgen voor genoeg plaatsen. De lessen zullen in de kinderopvang of peuterspeelzalen worden gegeven door gekwalificeerde leidsters. Het systeem moet ervoor zorgen dat geen enkel kind wordt overgeslagen dat de Nederlandse taal nog niet voldoende onder de knie heeft.
Azdural heeft de staatssecretaris aangeboden binnen de Turkse gemeenschap extra inspanningen te leveren kinderen richting Voor- en Vroegschoolse Educatie (VVE) te krijgen. Volgens hem is VVE in verhouding tot andere minderheidsgroepen al ’relatief populair’. Ruim de helft van de Turkse peuters neemt er aan deel.
Toch moet met een campagne ook de andere helft worden bereikt. „ Het basisonderwijs probeert al dertig jaar achterstanden te bestrijden. Wat taalachterstand betreft blijven die inspanningen vrijwel zonder succes. Aan het eind van de basisschool is de achterstand voor Turkse kinderen nog steeds méér dan twee jaar. Ouders moeten daar dus niet te veel heil van verwachten en zelf iets doen”, aldus Azdural die ervoor pleit dat consultatiebureaus ouders van tweejarigen, die thuis geen of nauwelijks Nederlands spreken, inderdaad structureel op VVE wijzen, zoals staatssecretaris Dijksma wil. „Er wordt vaak gezegd: een goede moeder zorgt zoveel mogelijk zelf voor haar kind. Die traditionele opvatting wint het nog vaak van het idee dat peuteropvang, in combinatie met VVE, ook goed kan zijn voor kinderen en hun taalontwikkeling. Ouders doen niet alleen zichzelf tekort door thuis geen Nederlands te spreken, maar ook hun kinderen.”
Maar, voegt Azdural er snel aan toe: „VVE werkt alleen als het van goed kwalitatief niveau is, gegeven wordt door geschoolde leerkrachten gedurende ten minste vier dagdelen per week en als er een follow-up is. Die voorwaarden zijn nog lang niet overal vervuld.”
De lat ligt hoger, concludeerde Han Entzinger. De samenleving vraagt veel van Turkse en Marokkaanse jongeren. Dat leidt bij hen ook tot gevoelens van onrechtvaardigheid, frustratie, schooluitval en verwijdering. Want het is een teken aan de wand, concludeert Entzinger, dat Turken en Marokkanen in 2006 aanzienlijk somberder zijn over hun eigen toekomstkansen dan in 1999.
Aan de andere kant leggen jonge allochtonen de lat voor zichzelf steeds hoger. Bewustwording van de taalachterstand is daarom ook een stap in de goede richting, zegt Sidali. „Er zijn mensen die maar weinig Nederlands nodig hebben, omdat ze nauwelijks komen waar Nederlands wordt gesproken. Zij richten zich op de media in de eigen taal. Deze mensen zullen ongetwijfeld aangeven dat zij het Nederlands voldoende beheersen. Bij hen ligt de lat laag. Maar gelukkig zijn er steeds meer allochtonen die gaan participeren in complexere functies in de maatschappij. Daar wordt een hoog taalniveau vereist. Zij worden zich beter bewust van de talige ’tekorten’ of behoeftes.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.