*

 

nieuwe boeken fictie

Door: redactie − 09/02/08, 00:00

Nóg een nieuw deeltje in de serie ’De mythen', herverteld door bekende auteurs (het andere is de keuze van de week). Ali Smith baseert zich op een metamorfose van Ovidius. Het verhaal van Iphis is, in moderne tijden verplaatst, dat van de vloeiende lijnen tussen de geslachten. De beginzin geeft dat meteen al aan: „Ik ga jullie vertellen over toen ik een meisje was, zegt grootvader.” Het bekendste boek van Ali Smith (1962), ook recensente, is ’Hotel wereld’, dat voor meerdere prijzen genomineerd werd.

In deze zes verhalen speelt ongerepte (Oostenrijkse) natuur de hoofdrol: als helende én als verwoestende kracht: kinderen verdwijnen in een gletsjer, drie kleinkinderen worden met hun oma door een hagelstorm getroffen – en gered. Beroemd werd het voorwoord uit 1852 waarin Stifter (1805-1862), die van gebrek aan passie en van literair conservatisme werd beticht, uitlegt dat hij de modieuze (romantische) voorkeur voor het woeste, mateloze afwijst als een primitieve neiging.

Israëlische familieroman door een van de nieuwe jonge talenten uit dat land. Hedaya (1964) beschrijft moderne koppels: Allona en Mark zijn gescheiden, maar hebben wel twee jonge kinderen. Mark heeft trouwens uit zijn vorig huwelijk nog een zestienjarige dochter. En Eli en Dafna kunnen juist geen kinderen krijgen. Ondanks Hedaya's lichte toon, en haar nog niet cynisch geworden personages, is dit geen oppervlakkig boek: de schrijfster neemt uitgebreid de tijd om de gemoedswisselingen van haar personages te beschrijven. Maar langdradig schrijft ze niet: „Sinds het uit was, was ze zelf ook een vreetzak geworden.”

Edgar Cairo (1948 -2000) was één van de bekendste schrijvers van Suriname. In zijn nalatenschap is dit manuscript gevonden, waarvan de ondertitel luidt: ’roman over het bloedbad van Paramaribo op 8 december 1982’. De woede om de decembermoorden vindt zijn weg in een boos, maar toch poëtisch-klinkend boek: „Hij wankelt onder machtswellust terug en kruipt in ’t kille bed daar naast die killers-uzi.”

Coming-of-age op het Toscaanse platteland. In deze veelgeprezen roman, een drieluik, laat het jonge Italiaanse talent Grossi (1978) zien hoe jongens (als hijzelf) tot mannen werden gemodelleerd. Zo moet ’de Ballerino’ het in een bokswedstrijd opnemen tegen ’de Geit’, een sterke, maar doofstomme jongen. Grossi’s trefzekere taal, zonder veel omhaal van woorden, past goed bij de jongensachtige stoerdoenerij, die Grossi gelukkig ook weer niet al te serieus neemt.

mailIcon print |