*

 

Verminkt, maar niet gebroken of failliet

Theodore Pronk − 26/06/08, 00:00

Kunstinstellingen moeten ondernemingen worden. En dus probeerde Toneelgroep De Appel zonder subsidie overeind te blijven. Het was lastig en demotiverend, maar niet onmogelijk.

Kunstinstellingen moeten ’cultureel ondernemerschap’ tonen, vinden de Raad voor Cultuur en minister Ronald Plasterk van cultuurbeleid. Laat maar zien dat je een markt hebt en dus bestaansrecht, is het devies. Het klinkt de kunstwereld in de oren als vloeken in de kerk. Toch zijn er al instellingen die het zonder subsidie rooien, al is het niet zonder slag of stoot.

Toneelgroep De Appel in Den Haag is zo’n kunstinstelling die, gedwongen door stopgezette subsidies, haar bestaanrecht op een andere manier moest bewijzen. Op zich staat Gerrit Dijkstra, zakelijk leider van De Appel, eigenlijk helemaal niet zo negatief tegenover de plannen van Plasterk en de Raad voor Cultuur. Maar, zegt hij, de overheid en haar subsidies zullen ook in de toekomst onmisbaar blijven voor de basisvoorzieningen die de kunstinstellingen nodig hebben.

Dijkstra: „Op zich vind ik het helemaal geen gek idee, hoor. Er wordt altijd zo snel geroepen dat iets onmogelijk is of dat de kunst in gevaar wordt gebracht, maar kunst is tegenwoordig gewoon een bedrijf.”

Enkele jaren geleden werd de subsidiekraan voor De Appel dichtgedraaid en moest het gezelschap het roer omgooien. Dijkstra: „We raakten onze subsidies van OCW kwijt, maar gelukkig nam de gemeente Den Haag daar een deel van over. Daar hebben we wel keihard voor moeten werken, want de gemeenteraad was niet meteen enthousiast. Het was een ingewikkelde periode. De Appel is een middelgroot gezelschap, een heel hecht ensemble en toen moesten we ineens mensen ontslaan. Negen mensen met een vaste baan gingen eruit. Een enorme ingreep voor een gezelschap als het onze. Maar zo konden we wel overleven. Verminkt, maar niet gebroken zijn we doorgegaan en hebben we ons gerevancheerd met de voorstelling De Tantalus.”

De Appel nam daarmee een groot risico. „We hadden evengoed failliet kunnen gaan. Maar we hebben onszelf helemaal teruggezet op de kaart. In die tijd waren er ook mensen die zeiden: jezelf bedruipen is goed voor jullie, ga maar door het stof en bewijs maar eens waarom je zo van belang bent. Zelf denk ik dat we in die periode een achterstand hebben opgelopen. Alles overziend denk ik dat de plannen van Plasterk vooral een demotiverende werking zullen hebben op de kunst in Nederland. Aan de andere kant: als geen ander gezelschap hebben we kunnen laten zien dat het mogelijk is om binnen de markt te opereren.”

De revanchedrang van De Appel leidde uiteindelijk tot een ’positief advies’, waarna de subsidiekraan weer werd opengedraaid. Volgens Dijkstra zou iedereen de afhankelijkheid van subsidies het liefst willen vermijden. „Als het zo makkelijk zou zijn geweest om externe financiers te vinden, was dat natuurlijk al lang op grote schaal gebeurd. Niemand wil zich in het ambtelijke subsidiecircuit begeven. Maar helaas is ’de markt’ voor kunst niet zo groot dat je zonder overheidsgelden kunt overleven.”

Volgens Dijkstra is het een misvatting dat kunstenaars luie wezens zijn die het liefst hun handje ophouden en maar een beetje ’doen’. „Waarom wordt er toch altijd naar de kunstsector gekeken alsof daar het geld over de balk wordt gesmeten? Ik denk dat wij een van de meest gescreende sectoren zijn. Werkelijk alles wat we willen doen, moeten we verantwoorden, beargumenteren en onderbouwen met beleidsplannen. We worden continu gecontroleerd en er is dus echt geen mogelijkheid om er met de pet naar te gooien. Wij zijn ook gewoon integere mensen die een groot publiek willen bereiken. Daar werden we als De Appel een aantal jaar geleden nog vies op aangekeken, maar nu is dat doodnormaal.”

De zakelijk leider stoort zich aan de wisselvalligheid die hij in het Nederlandse cultuurbeleid meent waar te nemen. Het ontbreekt volgens hem aan de broodnodige continuïteit. Door de ’grilligheid van de politiek’ zou de kunstensector zelfs nog altijd in gevaar zijn.

„Ons gezelschap bestaat nu 35 jaar, maar we kunnen nooit langetermijnbeleid uitzetten. Ik weet bijvoorbeeld nog steeds niet of we voor 2009 subsidies krijgen. Dat is lastig voor alle mensen die bij ons werken, die weten niet waar ze aan toe zijn. Als het tijd is om nieuwe bedrijfsnota’s te schrijven hebben ze dat wel door, want dan ontstaat binnen een gezelschap altijd een vreemd soort onrust.”

Hoewel steeds meer organisaties ’maatschappelijk verantwoord ondernemen’ en er dus een geldbron lijkt te bestaan voor ’cultureel ondernemers’, houdt Dijkstra vast aan het idee dat overheidssubsidies in de kunstsector altijd noodzakelijk zullen blijven.

„De waarde van kunst is niet uit te drukken in geld. Dat moeten we ook niet willen, maar je kunt de kunstsector best vragen om zo min mogelijk een beroep te doen op overheidsgeld. Daar is niets mis mee. Bij kunst moet niet gedacht worden aan ’terugverdienen’. Dat prijsdenken vind ik zo’n getrut. In de kunst bestaan geen wetmatigheden zoals bij Philips. De overheid moet er gewoon voor zorgen dat we in de basis goed gesubsidieerd worden, en dan kun je best van instellingen verlangen dat ze ook externe financiers vinden die incidenteel een bijdrage leveren.

„Maar je zult altijd kleinere instellingen hebben die echt niet zonder kunnen, waar talentontwikkeling plaatsvindt en waarvoor weinig geld in de markt is. Zulke experimenteerplekken moet je zonder marktwerking willen houden.”

mailIcon print |