Ik kijk op zondagochtend wel eens naar ’Hour of Power’, een goed geoliede, meeslepende mega-televisiekerkdienst op z’n Amerikaans. In een grote zaal van glas en licht zeilen camera’s soepel door de lucht als engelen langs het firmament, zo nu en dan zingt een slavenkoor uit volle borst de prachtigste liederen en dominee Schuller, junior of senior want het is een dynastie, houdt in een mauve gewaad een bemoedigende preek. Ook ben ik, op mijn faustische omzwervingen over de aarde zeg maar, wel eens verzeild geraakt in de tabernakel van de mormonen in Salt Lake City, waar het beroemde orgel met de 12.000 pijpen je zacht suizelend ontvangt en een adembenemend koor je verder hemelwaarts leidt, want dat leidt geen twijfel, dit soort gelegenheden moeten voorportalen van de hemel voorstellen. Dit alles wantrouw ik in hoge mate, bijna alsof de duivel mij toelispelt: toe maar, ga maar naar binnen, het kan geen kwaad. Kerken, zo heb ik mij ooit voorgenomen, moeten klein en kaal zijn, er moeten ongemakkelijke stoelen in staan met rechte ruggen, van het oude kanseltje moet de dominee ons eerder ontmoedigend dan bemoedigend toespreken en, vooruit dan, er mag een Arp Schnitger-orgel staan voor een prelude of een toccata van Bach. Streng in de leer ben ik overigens niet, ik zou mijzelf eerder omschrijven als een agnost met deïstische aanvallen; het moet de vorm, het ritueel zijn dat me geen kans geeft weg te zeilen op golven van geluk en zaligheid. Waar het vandaan komt is een raadsel, mijn vader stapte ooit van de orthodoxe zijde van de hervormde kerk over naar de gemeente der zevendedags adventisten, en dat zullen sommigen wel van de regen in de drup vinden, maar het was in feite een stap van schuldbeladen bestaan naar wedergeboorte, dus van hem zal ik het niet hebben. Ik vrees dat ergens in mij de fundamentalist van een paar generaties terug is komen huizen, die van geen compromis wil weten en die iedere souplesse en toegeeflijkheid als boze verleiding afwijst. Omdat echter het bijbehorende strenge geloof allang in mij verdampt is, zit ik met slechts de huls van mijn rechtlijnigheid, die ik telkens opnieuw beproef als dominee Schuller langskomt, of de Heiligen der Laatste Dagen of een methodistische eredienst vol gospels. Want ze slepen me mee, die moderne praatjesmakers met hun fijne boodschap, geen twijfel, voor ik het weet laat ik me dopen, doe ik belijdenis, wat niet al, maar als het afgelopen is zie ik het brede pad dat ten verderve leidt al snel weer opdoemen. Uit een interview met Fred van Lieburg, hoogleraar geschiedenis Nederlands protestantisme, in de zaterdagbijlage van de NRC afgelopen weekend, begrijp ik dat zelfs de orthodoxe refo’s (voor reformatorisch, het woord alleen al!) allengs opschuiven naar een minder streng geloof. En in Barneveld worden twee reformatorische megakerken gebouwd. Dat voelt allemaal niet goed maar als geseculariseerd fundamentalist heb ik natuurlijk geen enkel recht van spreken en dus houd ik mijn erediensten maar thuis, zonder kansel en sermoen en met alleen dat Schnitger-orgel op mijn iPod.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.