*

 

’Is het cultuur of toch ADHD?’

Nicole Lucas − 14/04/08, 00:00

Bij hulp aan jongeren met psychische problemen, zou aandacht voor de culturele context vanzelfsprekend moeten zijn.

In Turkse gezinnen worden jonge kinderen vaak heel vrij gelaten. Pas met de adolescentie komt de controle. In Nederlandse gezinnen is het eerder andersom. Daar gelden op jonge leeftijd strakke regels, voor eten en slapen bijvoorbeeld. Later krijgen kinderen meer vrijheid, uitgaande van het idee dat ze de nodige zelfcontrole hebben ontwikkeld.

Hulpverleners, zegt Nuveyt Isitman, moeten dit beseffen. Anders bestaat het risico dat een jong, druk en ongeconcentreerd kind van Turkse ouders al te snel als ADHD’er wordt gediagnosticeerd.

De kinderpsycholoog geeft dit voorbeeld om aan te geven dat psychische en psychiatrische problemen niet los gezien kunnen worden van de culturele context waarin ze zich voordoen.

Isitman is directeur behandelzaken bij het Haagse i-psy De Jutters, een nieuwe organisatie die hulp biedt aan jongeren met psychische problemen, die opgroeien in een gemengde culturele omgeving. Het woord allochtoon wil hij dit verband vermijden. „Het gaat zeker niet alleen om kinderen met een niet-westerse achtergrond.”

Nannie Vervoort, directeur bedrijfsvoering, kan dat uit eigen ervaring bevestigen. Ze woonde drie jaar in de VS en ontdekte daar hoe culturele verschillen kinderen in de problemen kunnen brengen.

Zo kreeg haar vijfjarige zoon wegens kiekeboe spelen in de kleedkamer van het zwembad al gauw het stempel ’ongeremd’. „Terwijl het probleem veel meer was, dat er een verschil is in de manier waarop Nederlandse en Amerikaanse kinderen wordt geleerd met lichamelijkheid om te gaan.”

Dat besef is er in de reguliere hulpverlening echter onvoldoende, vinden beiden. En waar veel groepen van minderheden toch al aarzeling hebben naar de GGZ te gaan, heeft dat tot gevolg dat jongeren in de kou blijven staan. Voor zover ze de stap zetten, haken zij – en hun ouders – vaak weer af, omdat ze zich onbegrepen voelen.

Dat kan, heel letterlijk, een gevolg zijn van een taalbarrière. Bij i-psy De Jutters vindt behandeling, voor zover mogelijk, daarom plaats in de taal waaraan de kinderen (en hun familie) de voorkeur geven.

Bij de organisatie zijn inmiddels acht hulpverleners in dienst met ondermeer een Turkse, Marokkaanse, Koerdische, Molukse en Irakese achtergrond.

Vervoort: „We kunnen dus niet in alle talen voorzien. Maar het blijkt dat mensen zich sowieso vaak meer op hun gemak voelen bij iemand die weet heeft van het opgroeien tussen twee culturen, die besef heeft van allerlei aspecten van het proces van migratie. En dat komt het effect van de behandeling ten goede.”

Isitman; „We proberen op systematische wijze in kaart te brengen wat het is waardoor een kind bijvoorbeeld slaapproblemen heeft, of uitzonderlijk druk of depressief is. Alleen dan kun je op de juiste wijze interveniëren.”

Blijkt cultuurverschil een belangrijke factor, dan kan het zijn dat hulpverleners, zoals Vervoort het uitdrukt, vooral een bemiddelingsrol spelen: tussen school en kind, tussen ouders en kind. Maar, benadrukt Isitman, niet alles is natuurlijk psycho-sociaal of cultureel bepaald. „Je moet ook voorkomen dat je een kind tot gevangene van zijn etnische achtergrond maakt.”

Ook een Turks kind kan onrustig zijn door enorme drukte in zijn hoofd, kortom: ADHD hebben. En dan moet de behandeling uiteraard daar op zijn gericht.

De twee directeuren reageren verbaasd op de suggestie dat hun initiatief niet in een politiek zeer welwillende tijd komt.

Vervoort: „Ons uitgangspunt is ook niet: die zielige allochtonen. Er is gewoon een duidelijke vraag vanuit de markt. Sommigen voelen zich bij ons beter op hun plek dan in de reguliere GGZ. Net zoals sommigen liever naar Albert Heijn gaan en anderen naar de C-1000.”

mailIcon print |