Op basisschool De Rank zijn de lessen leuker en gevarieerder, maar de leerlingen presteren daardoor niet beter. In het onderwijs ligt de lat al twintig jaar te laag, zegt toetsinstituut Cito.
Goed nieuws voor al diegenen die de mening verkondigen dat het niveau van het basisonderwijs met sprongen omlaag is gegaan: dat valt erg mee. De afgelopen twintig jaar is het niveau grosso modo niet gedaald – ook niet gestegen, trouwens.
Slecht nieuws voor al degenen die kritiek op het niveau van het onderwijs afdeden als nurks geneuzel van somberaars met misplaatste heimwee naar vroeger: dat niveau is weliswaar niet gedaald, maar het is al twintig jaar te laag.
Dat was de boodschap, deze week, van een onderzoek door toetsinstituut Cito naar het basisonderwijs. Het Cito peilt al twintig jaar het niveau van de verschillende vakken op de basisschool, vooral om de maatschappelijke discussie over onderwijs een feitelijke basis te geven.
In die peilingen wordt allereerst door een groep deskundigen bepaald welk niveau leerlingen aan het eind van de basisschool per vak zouden moeten halen. Daarna wordt bij leerlingen getoetst of zij dat niveau ook echt bereiken. In het onderzoek van deze week werden de feiten uit alle peilingen van de afgelopen twintig jaar op een rijtje gezet.
Die feiten liggen nu dus op tafel. Maar is daarmee het laatste woord over het niveau van het basisonderwijs gesproken? Nee, zeker niet. Want op sweeping statements – in de trant van ’dé kwaliteit van hét onderwijs deugt niet’ is bijna altijd het nodige af te dingen. De Cito-onderzoekers zelf zijn de eersten om dat toe te geven. Allereerst wijst het Cito zelf op andere onderzoeken met andere feiten. Volgens de Cito-onderzoekers beheersen basisschoolleerlingen onderdelen van het rekenen minder dan vroeger. Maar in internationale vergelijkingen scoren Nederlandse leerlingen onveranderd hoog. En terwijl volgens het Cito de leesvaardigheid in Nederland nauwelijks verandert, blijkt uit internationaal onderzoek juist dat die sterk schommelt.
Er zijn geen goede verklaringen voor die verschillende waarnemingen, stelt het Cito. En zo blijven er nog wel meer ’feitelijke’ vragen over. Wat te denken van het gegeven uit internationaal onderzoek dat vooral de leesprestaties van Nederlandse meisjes achteruitgaan en die van jongens niet? Wat zegt dat precies over de kwaliteit van het onderwijs?
Sowieso zegt het niveau dat leerlingen bereiken niet alles over de kwaliteit van het onderwijs zelf. Want, zo legden onderwijssociologen als Jaap Dronkers al uit, het gemiddelde opleidingsniveau van ouders is in twintig jaar fors gestegen. Omdat kinderen hoger scoren naarmate hun ouders hogeropgeleid zijn, zouden leerlingen nu dus een hoger niveau moeten bereiken. Dat dat niet gebeurt, kan maar één ding betekenen, stelt Dronkers: de kwaliteit van het onderwijs is achteruitgegaan.
Dat is de ene kant van het verhaal. Maar er is ook een andere kant. Volgens de scholen zelf is werken op een basisschool veel ingewikkelder geworden, onder meer door de komst van allochtonen, die het minder goed doen, en van kinderen die voorheen naar het speciaal onderwijs verwezen werden. Dat zij hun leerlingen toch op hetzelfde niveau afleveren als vroeger, zeggen de scholen, is een prestatie van formaat.
Alle onduidelijkheden ten spijt groeit het eensgezinde besef dat het niveau omhoog moet. Dat is op zich al opmerkelijk genoeg. De Cito-peilingen bestaan tenslotte al twintig jaar, en al die tijd bleek steeds opnieuw dat leerlingen achterbleven bij het vereiste niveau. Maar tot voor kort kraaide er geen haan naar.
Wat ook opmerkelijk is: het niveau waarvan de Cito-peilingen uitgaan, heeft eigenlijk nooit ter discussie gestaan. Sterker nog, twee weken geleden kreeg staatssecretaris Dijksma het advies om precies vast te leggen welk niveau leerlingen aan het eind van de basisschool moeten halen. En dat vereiste niveau moet, zo luidde het advies, grofweg even hoog zijn als wat de Cito-peilingen eisen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.