*

 

’Ik schrijf tegenwoordig met koud bloed’

Iris Ludeker − 26/06/08, 00:00

Sharnush Parsipur, de ’grand old lady’ van de Iraanse literatuur, leeft sinds 1994 in ballingschap in de Verenigde Staten. Zelf beschouwt ze zich als apolitiek, maar daar denken de geestelijken in Iran anders over.

Sharnush Parsipur loopt opgetogen door de gangen van het Victoria Hotel in Amsterdam. Ze is in Nederland voor de promotie van haar zojuist vertaalde succesroman ’Toeba en het belang van de nacht’, maar combineert dat met familiebezoek. Ze is erg trots op haar nichtje, dat net afgestudeerd is aan de Universiteit van Amsterdam.

Het nichtje is niet het enige familielid dat Iran achter zich heeft gelaten. Parsipur heeft overal ter wereld verwanten in de diaspora, vertelt ze: haar zus zit in Wenen, haar broer in Los Angeles. Zelf woont ze ook in de Verenigde Staten; alleen haar zoon is achtergebleven in Teheran, waar Parsipur zelf geboren werd in 1946.

Parsipur – lange bruine rok met bijpassend tuniek, gympjes eronder – heeft er niet veel moeite mee om in een vreemd land te wonen. „Ik ben een kosmopoliet”, zegt ze, net iets te opgewekt. „Ik kan overal wonen.” Behalve dan in haar geboorteland, want Parsipur leeft niet voor de lol in Amerika. Sinds 1994 is ze in ballingschap, toen het leven als schrijver haar definitief onmogelijk was gemaakt.

Parsipur lag altijd al overhoop met de autoriteiten in haar land. Hoewel ze naar eigen zeggen niets met politiek te maken wil hebben, raakte ze tegen wil en dank keer op keer in opspraak. Begin jaren zeventig – de sjah had het nog voor het zeggen in Iran en Parsipur had net naam gemaakt als auteur – belandde ze in de gevangenis toen ze het opnam voor twee dichters die geëxecuteerd werden.

Tien jaar later zat ze weer in de cel, nu onder het islamitische regime dat na de revolutie van 1979 de macht had gegrepen. „Bij ons thuis lazen we veel, en op een gegeven moment hadden we een verboden krant in huis. Mijn broer zei mijn moeder nog die kranten te vernietigen, maar ze vergat het.” De hele familie belandde in de cel, Parsipur zelfs enkele jaren. Alles gebaseerd op een misverstand, zegt ze. „Ik ben geen politiek activist.”

Schrijfster is ze, en dat was ook wat haar door de gevangenistijd heensleepte. In de cel schreef ze aan ’Toeba’, een grote roman, gebaseerd op het leven van haar eigen grootmoeder (zie kader). Na haar vrijlating werd het met groot succes uitgegeven. „In de drie maanden na verschijnen werden er 22.000 exemplaren verkocht. Dat is heel veel.”

Daarna roerden de autoriteiten zich: ze confisqueerden het boek en in de kranten verschenen aanvallen. „Het was niet lang na Salman Rushdie (de schrijver die in 1989 een fatwa opgelegd kreeg van toenmalig ayatollah Khomeini, red.).”

Nadat Parsipurs boek ’Vrouwen zonder mannen’ verscheen (in 1990), ging het regime nog een stapje verder. Bepaalde passages, over maagdelijkheid, werden door de geestelijkheid als onislamitisch aangewezen. Het boek werd verboden, Parsipur verdween weer in de gevangenis.

Het deed haar uiteindelijk besluiten het land met zijn kerkers en executies te verlaten. Toch is ze ook mild over het islamitische regime. „Ik accepteer de geestelijken, ze zijn ook Iraans.” Wat haar vooral niet bevalt, zijn de verplichtingen in de islamitische republiek, zoals het dragen van een hoofddoek. „Maar ik heb het grootste respect voor vrouwen die hun hoofd bedekken”, voegt ze snel toe. „Mijn eigen grootmoeder was een uiterst religieuze vrouw.”

Het regime introduceerde allerlei vrouwonvriendelijke regelingen: mannen mochten weer met twee vrouwen trouwen, steniging werd weer toegestaan. Maar voor veel traditionele vrouwen betekende de stichting van de islamitische republiek ook een bevrijding, zegt Parsipur vergoelijkend. „Vrouwen namen actief deel aan de revolutie. Die lieten zich niet weer terugstoppen in huis, hoewel ze het geprobeerd hebben.” Ze vertelt het verhaal van een vrouw die minister was onder de sjah en die na de revolutie geëxecuteerd werd. „Om te laten zien dat politiek niet voor vrouwen is.”

Niettemin stuurden traditionele gezinnen hun dochters voortaan naar school. „Voor de revolutie kon je je dochter echt niet naar een universiteit sturen – dat was een hoerenkast. Na de revolutie waren de islamisten zélf de baas in de universiteiten, dus konden ze dat niet meer zeggen.” Ook op andere vlakken ontwikkelden vrouwen zich na de islamitische revolutie. „Toen ik mijn eerste roman uitbracht, was ik pas de derde Iraanse vrouw die een boek publiceerde. Nu zijn er 350 vrouwelijke auteurs in Iran.”

Parsipur denkt wel eens over een terugkeer naar Teheran, om zich te herenigen met haar zoon die ze maar heel weinig ziet. Onder de hervormingsgezinde president Khatami (1997-2005) had ze zelfs concrete plannen.

Inmiddels zijn die plannen van de baan. Het culturele klimaat is onder de huidige president Ahmadinejad (sinds 2005) erg verslechterd. De censuur is toegenomen. „Er werden onder Khatami 40.000 nieuwe boeken uitgegeven. Sinds Ahmadinejad aan de macht is, zijn er 400 boeken verschenen.” Parsipur wil niet terugkeren omdat ze bang is om lastig gevallen te worden door het regime, om misschien weer in de cel te belanden. Twee jaar geleden kon ze er daarom niet bij zijn toen haar moeder overleed.

Terugkeren is ook om andere redenen geen optie. Want hoe komt ze aan geld? Nu verdient ze een inkomen met radio-uitzendingen voor de Iraanse zender Zamaneh, die uitzendt vanuit Amsterdam. In theorie zou dat ook vanuit Iran kunnen, want Parsipur houdt zich verre van politiek getinte items in haar programma over kunst en cultuur. Maar het blijft afwachten of het regime daar net zo over denkt.

Zonder geld kan Parsipur niet leven. Letterlijk. Want zonder geld kan ze de medicijnen niet betalen die haar manisch-depressieve stoornis onder controle houden. De ziekte stak in 1990 de kop op. Parsipur moest de afgelopen vijftien jaar met enige regelmaat opgenomen worden.

Om te functioneren is ze aangewezen op de medicatie, die haar gevoelsleven afzwakt. Dat heeft weerslag op haar werk: voor een auteur die het moet hebben van een warmbloedige stijl zijn de medicijnen funest. „Het is moeilijker geworden te schrijven. Ik schrijf tegenwoordig met koud bloed. Na twintig jaar ben ik moe, ik doe niets. Ik wacht.”

mailIcon print |