*

 

Waarom is de sexbusiness zo lelijk?

Ger Groot − 26/06/08, 00:00

Twee filosofen, Sebastien Valkenberg en Ger Groot, schrijven op deze plaats om beurten een polemische column. Reageer op www.trouw.nl/meer.

De Amsterdamse gemeente gaat de seksbranche in de hoofdstad opschonen, en dat is niet voor het eerst. Een paar jaar geleden schafte de landelijke overheid het bordeelverbod af, in de hoop de prostitutie daarmee om te vormen tot een normale, frisse bedrijfstak. Het werd een treurige mislukking.

Amsterdam probeert het nu met andere middelen opnieuw. Gezien de hemeltergende toestanden die daarin heersen, wens ik de gemeente van harte succes. Maar ik heb ook mijn twijfels. Want de sexbussiness lijkt zich niet erg te lenen voor nette regulering. Schemerigheid en smoezeligheid horen erbij, eenvoudigweg omdat de seksuele lust daar zelf om vraagt.

Geen opwindender ervaring dan die waarin de begeerte zich begeeft in wat eigenlijk niet hoort. Daarom zoekt het echtelijk geluk zijn heil sinds de komst van Beate Uschi graag in steeds fantasievollere variaties op de daad, en zwerft de verbeelding intussen vrijelijk uit naar de buurvrouw, de pizzabezorger of het éne standje waarom men toch niet durft te vragen.

Het is daar dat de sexbusiness zijn kans ziet. Pornografie, prostitutie en wat er verder in de markt is, zijn er niet voor het bevredigen van de biologische behoefte. Ze bestaan omdat het menselijk wezen op de onderbouw van het geslachtelijke een hele bovenbouw heeft opgetrokken waarin de verbeelding heerst. Daarin wordt de geslachtsdrift erotiek, zo heeft de schrijver en filosoof Georges Bataille zo’n halve eeuw geleden uitgelegd.

Maar daarmee wordt de zaak pas hachelijk. Want een aaibare erotiek bestaat alleen maar in de bambi-wereld van de softe porno, die ten onrechte ’vrouwvriendelijk’ heet.

Bij beide geslachten begint de opwinding pas te stuwen wanneer het oorbare en bekende overschreden wordt. Steeds weer zoekt de erotiek het gras waarop eigenlijk niet mag worden gelopen. In de daad, in de fantasie – en in het middengebied van de gesimuleerde lust die pornografie heet, of de gesimuleerde verovering van de betaalde seks.

De beleving van het onfatsoen hoort daarbij: ze is het afrodisiacum bij uitstek. En daarom gedijt ze niet in een aangeharkte omgeving waarin de hoer de ’sekswerker’ geworden is als een bijzonder specialisme van het maatschappelijk werk, en de pornografische lust gemoedelijk wordt gedoogd.

De lust wil en kan niet klinisch zijn, hoezeer de beschaving hem ook vanaf de alleroudste tijden heeft trachten te breidelen. Van de voorgeschreven ’missionarishouding’ tot het prostitutieverbod waarin een goedburgerlijke damesbenepenheid in Scandinavië hem vandaag tracht te dwingen tot gezonde seks: steevast verkeert hij op voet van oorlog met deze wil tot net- en goedheid. En paradoxaal genoeg ziet hij daarin tegelijk zijn kansen schoon.

Want niets zou de lust mínder willen dan zomaar toegestaan zijn. In een libertijnse samenleving voelt hij zich even ongelukkig als in een victoriaanse – maar het is juist aan dat ongeluk dat hij zich optrekt. Wanneer hij eraan ontsnapt, viert hij zijn hoogste extasen: dát hij de grens van het fatsoen overschrijdt is belangrijker dan de vraag waar die precies loopt.

Daarom zal de seksuele ondeugd nooit helemaal reglementeerbaar zijn; ze zoekt bij uitstek het buitengebied van de regels op. En daarom houdt de sexbusiness op te bestaan wanneer ze te lief en te mooi wordt. Ze leeft bij de lelijkheid van de goot, het openbaar toilet of de ’gewaagde plaats’. Zie is uit volle overtuiging ’vies’: daarin hadden de victorianen in ieder geval gelijk.

Daarom moet Amsterdam vooral doen wat het kan. Misstanden bestrijden en blijven dweilen onder een kraan die nooit helemaal dicht gaat. Want een gewone, opgeschoonde business waarmee je kunt thuiskomen wordt de seksbranche evenmin als zij ooit complexloze, honderd procent gelukkige erotische wezens zullen zijn.

mailIcon print |