Je bent vrouw en je loopt op straat.
Wacht, opnieuw.
Je bent een mooie vrouw en je loopt op zaterdag 21 juni 2008 in je lichtgrijze mantelpakje door een smal straatje in Bazel. Laten we zeggen, de Martinsgasslein in het oude deel van het centrum, niet ver van de Rijn. Het is een eeuwenoud straatje met eeuwenoude huizen waar ook al eeuwenlang niets is gebeurd. Nou ja, niets - hier heeft Erasmus misschien nog geflaneerd toen hij doceerde aan de lokale universiteit. En daar loop je nu dus, in gedachten verzonken, tasje in de hand.
Dan ga je linksaf de hoek om, de Marktplatz op.
Je komt in een parallel universum terecht. Zover het oog reikt, staan er mensen in oranje kledij voor je. Hun gezichten zijn oranje geschilderd, ze hebben oranje mutsen op. Ze zingen, ze schreeuwen, ze drinken bier.
’Heeee!’ brult iemand. Met een priemende vinger wijst hij naar jou. Hij roept iets wat je niet kunt verstaan. Iets met tieten. Twintig mensen kijken je aan. Je hart slaat over, je voelt je spiernaakt. Je klemt je tasje vast, je pas versnelt. Maar dat gaat zomaar niet. Je wordt ingesloten door de hossende menigte. Het bier klotst uit de plastic bekertjes. Iedereen lacht naar je, maar jij bent niet blij. Je bent het mikpunt. Wat doe je? Vastgenageld sta je op de stoep.
Ineens wijzen de twintig vreemdelingen naar je, allemaal tegelijk. Als uit één mond heffen ze een lied aan. Dat lied heeft maar één zin, die steeds wordt herhaald. Je verstaat er niets van, maar later hoor je waarover het ging. (...) Je kunt het bijna niet geloven: je liep in de Martinsgasslein, waar eeuwenlang niets gebeurde, gedachtenloos ging je de hoek om en binnen een seconde brullen twintig wijzende kerels: ’DAAR MOET EEN PIEMEL IN, DAAR MOET EEN PIEMEL IN!’
Wat zijn dat voor mensen?”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.