Minister Ter Horst wil af van het burgemeestersreferendum. Maar een terugkeer naar de benoemde burgemeester zal de spanningen in het lokale bestuur niet oplossen.
Ze was nooit echt een fan. En na de mislukkingen in Utrecht en Eindhoven heeft minister Ter Horst van binnenlandse zaken definitief haar conclusies getrokken over het burgemeestersreferendum. „Ik denk dat we er maar mee moeten ophouden”, zei ze op tv.
Daar heeft Ter Horst inderdaad zinnige argumenten voor. De burgemeester is volgens haar een apolitieke figuur, en een burgemeesterskandidaat kan dus ook nooit campagne voeren met een politiek programma. „Daarmee wordt het een schoonheidswedstrijd en daar loopt de maatschappij niet warm voor.”
Eerder had ze de subsidie voor de referenda al stopgezet. Nu wil ze de gemeentewet zelfs zo wijzigen dat gemeenten überhaupt geen referendum meer mogen houden. Een krasse maatregel, want dat referendum was nu ook weer niet zo’n revolutie. Een gemeente droeg altijd al twee kandidaten voor bij de minister, met een voorkeur voor een van de twee. Het burgemeestersreferendum betekende eigenlijk niet meer dan dat de bevolking zich mocht uitspreken over welke van de twee kandidaten op één kwam.
Een ongemakkelijk compromis dus, tussen een ’echte verkiezing’ en een benoeming. Toch was het niet altijd zo’n enorm fiasco als het nu lijkt. Bij vijf van de zes referenda die vóór ’Utrecht’ werden gehouden, was de opkomst hoog genoeg. Er is kennelijk meer aan de hand dan alleen een ’schoonheidswedstrijd’.
Want of Ter Horst het nu leuk vindt of niet, burgemeesters zijn tegenwoordig niet meer de apolitieke burgervaders van voorheen. Mensen zoals Opstelten, Cohen, en Leers worden wel eens ’powerburgemeesters’ genoemd: ze bemoeien zich actief met de gemeentepolitiek.
Daarnaast werken burgemeesters sinds de invoering van het ’dualisme’ in een nieuwe context. In 2002 werden gemeenteraad en wethouders uit elkaar getrokken. De raad is een soort parlement geworden, de wethouders een soort regering. De burgemeester hangt daar, als benoemde figuur, nu een beetje ongemakkelijk tussen. Hij fungeert tegelijk wel en niet als ’premier’: hij mag zich niet bemoeien met de inhoud van het collegeakkoord, maar is meer dan ooit het gezicht van de uitvoering daarvan.
Het is normaal om, gezien die realiteiten, na te denken over manieren om zulke politieke bemoeienis ook op de een of andere wijze te legitimeren. Of, als je het een slechte ontwikkeling vindt, over manieren om die bemoeienis terug te dringen.
Daar zijn grofweg drie manieren voor. Een écht referendum, zonder tussenkomst van de raad, waarmee de politieke rol van de burgemeester erkend wordt. Of een benoeming van bovenaf, zonder voordracht, in een poging om de burgemeester weer in het apolitieke gareel te dwingen. Ten derde: een door de raad gekozen burgemeester, die daarmee echt de premier van zijn gemeente zou worden.
Maar de ’benoeming op voorspraak van de raad’, waar Ter Horst voor is, is eigenlijk ook een halfslachtige oplossing: de raad laat zich bij haar voordracht wel leiden door politieke motieven, maar de burgemeester krijgt geen politiek mandaat mee. Daarmee worden conflicten tussen burgemeester en de rest van de lokale politiek ingebakken in het systeem. Dat leverde onlangs in de gemeente Dinkelland nog een dorpsplein vol boze burgers op.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.