Een eiland met een groen en milieuvriendelijk imago, met delicatessen van eigen bodem en eigen energiebronnen: dat moet toeristen lokken. Maar kwam die vakantieganger nou juist niet voor de weidse vergezichten, zonder windmolens?
Texel is de Nederlandse natuur in het klein, met zijn duinen, bos en polders. Er leeft een grote kolonie lepelaars, er lopen schapen tussen historische tuunwallen en er is het waddencentrum Ecomare. Maar het is ook het eiland dat te groot lijkt voor een eiland, met bungalowparken en 80-kilometerwegen, waarop elke toerist met zijn eigen auto mag rondrijden. Toch moet Texel het icoon worden van duurzaamheid. Het bouwt over 20 jaar met de nieuwste milieuvriendelijke technieken, en wekt zijn eigen energie op.
De gemeente Texel is voortvarend. Had ze eerst nog het plan om voor 2030 zelfvoorzienend te zijn op het gebied van energie, in haar nieuwste ambities spreekt ze van 2020. Helaas, het centrum voor energieonderzoek, ECN, kwam voor de Kerst met teleurstellende resultaten: zelf alle energie opwekken is helemaal niet haalbaar. Niet voor 2020, maar ook niet voor 2030. Het eiland is met zijn 16.500 hectare simpelweg te klein. Of het moet worden vol geplempt met energiegewassen als koolzaad, maïs en suikerbiet, met daartussen windturbines en zonnepanelen.
De Stichting Duurzaam Texel, die om het onderzoek had gevraagd, stelt nu voor om te beginnen met één of enkele sectoren, zoals de 6000 huishoudens of de bedrijven.
Een domper voor wie er hard mee bezig zijn, maar wel wat reëler, zegt Adriaan Dijksen, natuurbeschermer en geboren Texelaar. Hij werkte bij Staatsbosbeheer en Ecomare, en is actief in de natuurbeweging op het eiland en fervent vogelaar. „Ik vind het een prachtige opgave, maar het is ook een beetje gek om alleen Texel duurzaam te willen maken. Het gebruik van fossiele brandstoffen is een wereldwijd probleem en Texel is piepklein. Je zegt ook niet: ik zorg ervoor dat we nooit meer griep hebben op dit eiland.”
Maar Rikus Kieft vindt het een mooi streven, zo’n duurzaam eiland. Hij is adviseur op het gebied van natuur en milieu, verving tot voor kort de wethouder duurzaamheid van Texel, en is op het moment druk met Texel Energie, een maatschappij die vanaf februari stroom wil leveren aan Texelaars. De energie wordt voorlopig nog opgewekt door de Huisvuilcentrale Alkmaar, maar ook Texel levert daar zijn huisvuil aan. En uiteindelijk wil Texel Energie zelf duurzame energie opwekken voor zijn leden, op eigen grond. Geen groot concern, maar een coöperatie, waarbij de leden en stroomgebruikers zelf aandeelhouder zijn en een stem hebben in het beleid.
De meest voor de hand liggende optie is volgens Kieft het plaatsten van zonnepanelen. In november leidde hij een delegatie van 30 Texelaars naar het Deense eiland Samsü. Daar liggen hele akkers vol panelen zon te vangen, waarmee dan weer water wordt verwarmd.
Ook in andere nieuwe technieken wil Texel Energie investeren. Zo zal ze onderzoeken of een onderwatermolen geplaatst kan worden in het Marsdiep, het zeegat tussen Den Helder en Texel. Kieft: „Je kunt de getijdenstroom daar gebruiken om stroom op te wekken.”
Ander opvallend plan is het aanboren van een enorme bel warm water onder De Cocksdorp. Kieft: „We weten dat er op twee kilometer diepte water ligt met een temperatuur van rond de tachtig graden. In de jaren zeventig is onderzocht of het bruikbaar was voor energiewinning, maar dat bleek technisch erg moeilijk en duur. Inmiddels zijn er betere technieken en ook de energieprijzen rechtvaardigen nieuw onderzoek. Geothermie, daar zit potentie in. Bovendien is het water van kuuroordkwaliteit door de erin aanwezige zouten. Ook dat maakt winning lucratief.”
Texel Energie is echt met iets interessants bezig, vindt Kieft. „Het voelt goed en we ontmoeten veel enthousiasme. Mensen vragen me op straat of ze al lid kunnen worden. Duurzame energie spreekt aan, vooral als die van het eiland komt. Veel Texelaars hebben nostalgische gevoelens over de tijd dat er een eigen oliegestookte elektriciteitsvoorziening was. De dag dat er een kabel werd gelegd naar de overkant, was een moeilijk moment, ze raakten hun onafhankelijkheid kwijt. Wat dat betreft appelleert deze vorm van duurzaamheid aan de eilandmentaliteit: jezelf bedruipen.”
Op zich allemaal prima, reageert natuurbeschermer Adriaan Dijksen. „Ik wil er niet te negatief over zijn, maar je moet je altijd afvragen wat het rendement is van dergelijke ontwikkelingen en wat er door verloren gaat. Voor het plaatsen van zo’n getijdencentrale in het Marsdiep moet de regelgeving worden aangepast, regels die de Waddenzee beschermen. Daar moet je mee uitkijken, zeker als er door visserij, kokkelvangst en recreatie al zoveel kapot is gemaakt en verstoord.”
Duurzaamheid gaat over milieu en natuur, maar die blijken nog wel eens te botsen. Zo heeft de natuurlobby op Texel onlangs een biovergistingsinstallatie tegengehouden. Dijksen: „Op zich zijn wij niet tegen biogas, maar er zouden midden in het agrarisch gebied grote loodsen en silo’s komen. Bovendien zou het betreffende veebedrijf niet voldoende mest opleveren: die boer zou nog 300 hectare maïs moeten telen en tonnen kippenmest uit Brabant laten overkomen.”
Texel Energie wil het landschap niet op het spel zetten, zegt Rikus Kieft. De voorzitter van de raad van bestuur is zich bewust van de gevoeligheden. Zo komt windenergie, op het moment de meest rendabele vorm van duurzame energie, niet voor in de plannen. „Windmolens in het landschap zijn nogal omstreden. Als de tijd rijp is, doen we mee. Maar nu beginnen we er niet over, dan verspelen we ons draagvlak.” En een akker met zonnepanelen hoeft niet erg te zijn, zegt hij. „Een haag eromheen, je ziet er niks van. Op Samsü liepen de schapen er gewoon doorheen.” Volgens Kieft is een mix van technieken nodig. En Texel is wat hem betreft een perfect proefgebied. „Een afgeronde eenheid, een gemeente. Niet te groot en niet te klein.”
Dat proefgebied begint al aardig duurzaam te worden, meent Nienke Bloksma directeur van de Stichting Duurzaam Texel. Er zijn 320 zonneboilersystemen geïnstalleerd en is er al 4200 vierkante meter aan zonnepanelen neergelegd. Er rijdt een energie-informatiebus langs de scholen en er zijn duurzame campings. Eenmaal op de veerboot krijgen toeristen al natuurinformatie. De pleziervaart treft een compleet duurzame Waddenhaven, met zonnepanelen en zonneboilers, waar water wordt bespaard en afvalstoffen worden gescheiden. Lichten in de was- en toiletruimten gaan alleen aan als er mensen zijn. Zelfs het speelschip buiten is van duurzaam materiaal gemaakt. En die jachthaven is ook de enige plek op het eiland waar al wel windmolens staan: vijf oude exemplaren die veel herrie maken.
Auto’s worden niet geweerd, daarvoor is Texel te veel het eiland voor ouderen en gezinnen met kinderen, zegt Nienke Bloksma. „Gezinnen moeten veel spullen meenemen, ouderen willen overal makkelijk kunnen komen.” Wel stimuleert het eiland fietsen en openbaar vervoer zoveel mogelijk.
Duurzaam Texel begon in 1996 als werkgroep, met als doel ervoor te zorgen dat het toerisme op het eiland minder milieubelastend zou zijn. Deze zomer ontving Duurzaam Texel de icoonprijs van Urgenda, een club bekende wetenschappers die duurzaam denken wil promoten. De stichting werd geroemd omdat ze zich met veel thema’s tegelijk bezighoudt: energiebesparing en toerisme, educatie en bouwen. Ook het bestuur bestaat uit een mix van natuurbeschermers, bouwers, boeren en ondernemers.
Toen Bloksma zeven jaar geleden aantrad als eerste betaalde kracht, moest er nog veel gebeuren. „Er werd bijvoorbeeld niets gedaan met duurzaam bouwen, hoewel er een handelaar in bouwmaterialen in ons bestuur zat. De bouwsector is van zichzelf al behoudend, maar op Texel liepen ze echt achter.” De stichting is inmiddels al jaren samen met de bouwbedrijven bezig om een voorbeeldwoning te ontwerpen, voorzien van allerlei snufjes op het gebied van gezondheid, comfort en duurzaamheid. Bloksma: „Het ontwerp is klaar, maar helaas breken de hoge kosten voor het kavel, ons op. We zullen onze ambities wat moeten bijstellen.”
Wel is er op het eiland een recreatiewoning duurzaam verbouwd, die ook geldt als voorbeeld. Eigenaar Daan Welboren heeft het serieus opgevat. Lemen wanden, een keuken van Hollands kastanjehout en een installatiehok vol met apparatuur. Hier komt via drie buizen warm water van 150 meter diepte omhoog, om de lemen wanden en dus het huis te verwarmen. Douche- en wc-water gaat via een septic tank naar een vijver buiten. Riet, schelpen en zand reinigen het water en dat spoelt vervolgens weer door (energiezuinige) vaatwasser en wasmachine en door de wc.
Van zichzelf is Welboren helemaal niet zo milieubewust. „We hebben twee auto’s, waaronder een stinkende eend. Maar omdat het afgelegen huis niet is aangesloten op aardgas en de riolering, was een eigen systeem logisch. We zijn er stapsgewijs ingetrokken. Zelfs de steentjes rondom het huis zijn gerecycled: ze komen van een oude kade in Oudeschild.”
Volgens Nienke Bloksma is dat de manier. „Je kunt mensen niet tot duurzaamheid dwingen, ze moeten zelf enthousiast worden.” Een aantal jaren terug wilde een hotelier in aanmerking komen voor een milieulabel. Maar die heeft het opgegeven. „Het nadeel van dergelijke keurmerken is dat je alles goed moet doen, elk jampotje moet naar de glasbak. Het bleek voor dat hotel niet haalbaar om aan het label te voldoen en tegelijk een bepaalde luxe of sfeer uit te stralen. Maar gevolg is wel dat die man nu overal bij stilstaat. Neemt hij een duurzaam vloerkleed of niet, doet hij zuinige lampen of kiest hij voor dimbaar halogeen. Hij kiest misschien niet altijd groen, maar denkt wel overal over na. En dan mag je af en toe best iets slechts doen.”
De stichting stuurt niet aan op het groenste van het groenste. „Je kunt iets ultiems neerzetten, maar dat wordt dan gezien als een rariteitenkabinet dat amper navolging krijgt, zegt Bloksma. „Dan heb ik liever iets dat minder ambitieus is, maar wel tachtig procent van de bouwstroom ombuigt. Zonder blikken of blozen durf ik te zeggen dat elke aannemer nu fatsoenlijk duurzame systemen kan aanleggen, zoals ondergrondse warmtewinning. Ze beginnen steeds milieubewuster te adviseren.”
Bloksma ziet dat duurzaamheid inmiddels wordt gezien als middel om toeristen te trekken. Op Texel eet je tegenwoordig asperges, kaas en ijs van eigen bodem. Rij je in de zomer langs goudgeel tarwe, dan staat er op grote borden dat daarvan Texels skuumkoppe wordt gebrouwen. En terwijl Texels schapenvlees vroeger nog wel eens werd geïmporteerd uit Nieuw-Zeeland, waar het veel goedkoper is om het Texels schapenras te laten grazen, is er volgens Nienke Bloksma geen restauranthouder die dat nog durft.
Natuurman Adriaan Dijksen vreest soms dat duurzaamheid wat te veel wordt gebruikt als publiciteitsstunt. „De gemeente Texel heeft best een groene visie, maar als puntje bij paaltje komt zijn er altijd ontsnappingsmogelijkheden. De ondernemende Texelaar, die hier het geld verdient, daar moeten we sympathie voor hebben, die moet zich ook kunnen ontwikkelen. Economie en boerenbelangen gaan hier toch heel vaak voor. Dus komen er meer parkeerterreinen, grotere schuren, bredere wegen. Ook wij hebben een jazzfestival en De Cocksdorp wil een golftoernooi op het strand. Eigenlijk moet je dat soort dingen niet willen. Texel is al optimaal. Het hoge land, de natuurrijke duinen, boerenland, weidse polders. Op sommige dagen kan een ervaren vogelaar wel honderd verschillende vogelsoorten waarnemen van dwergstern tot velduil. En tegelijk heb je hier fatsoenlijke accommodaties en goede restaurants. Die combinatie is uniek, daar moet je eigenlijk niets aan toevoegen. Ook geen windmolens of zonnepanelen. Juist als we helemaal niks doen, blijven de toeristen komen.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.