Zelden hebben rechters feiten zo verschillend geïnterpreteerd als in de strafzaak tegen de leden van de Hofstadgroep.
Het gerechtshof van Den Haag oordeelde woensdag na een proces van maanden dat de Hofstadgroep niet tot een terroristische of criminele organisatie mag worden gerekend. Op vrijwel geen enkel onderdeel hield het eerdere rechtbankvonnis over de Hofstadgroep en haar verdachte leden stand en hoewel geen unicum, vaak gebeurt dat niet.
Alleen de straf voor Jason W., die november 2004 in Den Haag een granaat gooide naar de politie-eenheid die hem wilde overmeesteren, blijft gelijk. In beide gevallen heeft hij vijftien jaar cel gekregen. Een tweede hoofdverdachte, Ismail A., is in hoger beroep tot vijftien maanden cel veroordeeld, waar hij eerder dertien jaar kreeg opgelegd. Zeven anderen zijn vrijgesproken, zodat alleen de als crimineel, en geenszins als terrorist, aangemerkte W. in de cel blijft.
De rechtbank vond maart 2006 bewezen dat de Hofstadgroep ’ook het oogmerk had op het plegen van terroristische misdrijven’. Verder zei de rechtbank dat ’alle verdachten tot een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband behoren, dat tot oogmerk heeft het plegen van de misdrijven opruiing, verspreiding van opruiende geschriften, het aanzetten tot haat, bedreiging en bedreiging met terroristische misdrijven’.
De rechtbank liet destijds de ’zendingsdrang’ van de verdachten meewegen. Zij verspreidden via internet, vooral MSN-sites, hun boodschap om de djihad te rechtvaardigen. Gememoreerd werd voorts aan de huiskamerbijeenkomsten waaraan zij deelnamen, in de woning van Mohammed B., de latere moordenaar van Theo van Gogh. Tijdens deze bijeenkomsten werden geschriften verspreid waarin op ’godsdienstige gronden de democratische rechtsorde wordt verworpen en de djihad, in de betekenis van de gewapende strijd, en het martelaarschap worden verheerlijkt’.
Als voorbeeld van opruiend danwel bedreigend en haat zaaiend geschrift noemde de rechtbank een vertaling van Sjeik al Islaam Ibn Taymiyya: ’De verplichting van het doden van degene die de Profeet uitscheldt’. Ook wees de rechtbank op het geschrift ’To catch a wolf’, waarin Mohammed B. de jeugd oproept tot de djihad en dat wordt beschouwd als een aanklacht tegen en verwerping van de Nederlandse, democratische rechtstaat. ’Het zwaard wordt geheven en een revolutie op gang gezet teneinde de ’rotte’ democratische rechtsgang omver te werpen’, citeerde de rechtbank destijds in haar vonnis.
Het hof zegt niet aan het bestaan van de Hofstadgroep te twijfelen. Bewijs dat deze groep een ’gestructureerd samenwerkingsverband’ vormde, met ’gemeenschappelijke regels- en doelstelling’, is er echter niet. Omstreden geschriften als van Ibn Taymiyya en Mohammed B. zijn, aldus het hof, in ’taalkundige zin als opruiend en of bedreigend te kwalificeren’. Maar strafrechtelijk is dit niet relevant, aangezien van opruiing in het openbaar geen sprake is.
Het hof tenslotte kan niet vaststellen dat het zelfs maar de intentie van de Hofstadgroep was dergelijke teksten publiek te verspreiden. De rechtbank zei maart 2006 over dezelfde geschriften: ’Een en ander kan niet anders worden verstaan dan bedreigingen met moord met een terroristisch oogmerk, te weten het vernietigen van politieke en constitutionele structuren én het aanjagen van ernstige vrees bij de bevolking’.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.