Twee filosofen, Sebastien Valkenberg en Ger Groot, schrijven op deze plaats om beurten een polemische column. Reageer op www.trouw.nl/meer.
Goirle krijgt zijn beeld van de ’goede Duitser’ en dat is om meer dan één reden een welkom bericht. De Duitse soldaat Karl-Heinz Rosch die op 6 oktober 1944 twee kinderen redde uit Engels vuur en vervolgens zelf door een granaat getroffen werd, staat model voor wat je alledaagse heroïek zou kunnen noemen.
Vreselijk spectaculair of wereldschokkend was wat hij deed tenslotte niet. Vermoedelijk heeft hij zelf over zijn daad nauwelijks nagedacht. Spelende kinderen, geweervuur, wég daar! – moet door zijn hoofd gegaan zijn. Voor hij het wist, sleurde hij ze naar binnen.
In een variant op Hannah Arendt zou dat ’de banaliteit van het goede’ kunnen heten. Het kwaad, zo constateerde zij in haar omstreden verslag van het proces-Eichmann, schuilt niet in schrikwekkende duivelsheid, maar in bijna onzichtbare ondeugden die tezamen het grote Kwaad voortbrengen. Dat inzicht maakt de schuld niet minder groot, maar ze wordt wel daar gelegd waar ze gewoonlijk hoort. Hoewel er óók duivelse slechtheid bestaat, geschiedt het meeste kwaad in de alledaagsheid, waar iedereen bijna ongemerkt dader kan worden van het onvergeeflijke.
Wat ons verlost, is de tegenkant daarvan. Ook het goede wordt meestal niet als het heilige of het hemelse verricht, maar als een terloopse vanzelfsprekendheid. Hoeveel bewondering ware morele heroïek ook verdient, het is die terloopsheid die ons pas echt van het kwaad verlost.
Ze bewijst dat, ondanks alles, het goede in ons gemoed is meegegeven. Het is er zomaar, ongemerkt, bijna automatisch – en juist daarom is de mensheid niet verdoemd, zoals het spreekwoordelijke calvinisme en een té wereldwijs realisme broederlijk veronderstellen.
Dat vertrouwen vlamt op in het verhaal van Karl-Heinz Rosch en de tallozen zoals hij, die in het voor hem opgerichte monument méé worden geëerd. Fatsoen ligt verstrooid over de wereld, ook al twijfelen wij daar wel eens aan – misschien omdat we te hoog gespannen verwachtingen hebben van onszelf.
We verwachten tevéél van de mensheid, en als die daarbij ten achter blijft, verdoemen wij haar – en bevestigen langs een achterdeur zo toch nog onze eigen deugdzaamheid.
Zoiets moet ook rond Karl-Heinz Rosch gespeeld hebben. Hij mocht dan kinderen gered hebben, ’het bleef toch een mof’. En inderdaad was het regime waarvoor hij vocht het toonbeeld van het grote Kwaad geworden – zozeer dat het in de naoorlogse wereld kon uitgroeien tot de geseculariseerde versie van helse diaboliek.
Daar waren goede redenen voor, maar dat sloot ook daar een alledaags fatsoen niet uit. Het grote Kwaad schoof over het kleine goede heen en sleepte het mee in zijn verdoemenis – waartegenover van de weeromstuit het grote Goede kwam te staan.
De vele grijstinten waardoor die ongelukkige jaren werden gekleurd raakten na afloop al snel versimpeld tot zwart en wit.
Ruimschoots geboren na het einde van de oorlog, zal ik de generatie van mijn ouders en grootouders dat oordeel niet verwijten. Maar vreemd genoeg heeft het zich voortgezet in de generatie die de mijne is, en nog lang daarna.
Terwijl de Bondsrepubliek Duitsland zich uitputte in een voorbeeldige rouw- en schuldverwerking, wentelden wij ons graag in een volgehouden afschuw waarmee wij allereerst onze eigen voortreffelijkheid onderstreepten.
Ik weet niet of Karl-Heinz Rosch een goed mens was. Misschien heb ik hem wel liever in de grijstinten die ook de mijne zijn. Het enige wat ik van hem weet is dat hij zijn eer èn die van de humaniteit redde op dat moment kort voor zijn dood.
Hij was waarschijnlijk in alle opzichten normaal, in abnormale omstandigheden: een voorbeeld van het banale fatsoen dat over de mensheid verstrooid ligt, maar eigendom is van niemand.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.