Met het onderwijs in Marokko is het slecht gesteld. Maar aan de kinderen ligt het niet: die staan te trappelen om naar school te kunnen gaan.
Marokkaanse jongens en meisjes op plastic slippers wachten ongedurig voor de ingang van hun school, ook al beginnen hun lessen pas over een uur. Naar school gaan is een uitje in deze desolate omgeving. Tot de horizon is geen boom te bekennen, alleen gortdroge heuvels en een paar lemen hutjes die bescherming geven tegen de priemende zon. Dit is het armoedige achterland van Marokko waar de bewoners leven van hun geiten en schapen.
„Opeens ziet Slimane een palmboom en vindt een oase”, leest een leerling hakkelend in het Frans vanaf het schoolbord. De leerlingen van deze klas, 45 in totaal, zitten in hun vierde jaar van de lagere school maar kunnen nog slechts met moeite een zin voorlezen. „Als ze de zes jaar doorlopen hebben, kunnen ze in het Frans en Arabisch lezen en een simpele zin schrijven. Maar vraag ze geen brief te schrijven. Dat is echt te veel gevraagd”, vertelt lerares Sannae Benbelli (30), die al ruim acht jaar lesgeeft op deze school. De Wereldbank publiceerde dit voorjaar een alarmerend rapport over de stand van het onderwijs in Marokko en zijn buurlanden. Het vergelijkt toegankelijkheid, gelijkheid tussen de seksen, de effectiviteit en kwaliteit van het onderwijs. Het ministerie van onderwijs heeft nu een plan van aanpak gelanceerd. In 2014 moet 90 procent van de leerlingen die de lagere school hebben doorlopen, doorstromen naar de middelbare school. Nu is dat nog 50 procent. Zittenblijven moet tot een minimum worden teruggebracht.
Een onmogelijke opgave, weet Benbelli nu al. Van de vijftig leerlingen die zich in 2001 voor het eerste jaar aanmeldden, maakte in 2007 slechts de helft de lagere school af en gingen maar tien leerlingen –vooral jongens– naar de middelbare school in het dorp tien kilometer verderop. „Veel ouders zien het nut er niet van in hun kinderen te laten doorstuderen. Ook onder hoger opgeleiden is de werkloosheid hoog. Ze houden ze liever thuis om mee te helpen op het land en in het huishouden.”
En hoe kan je leerlingen over laten gaan als ze aan het eind van het vierde jaar de werkwoorden hebben en zijn in het Frans nog steeds door elkaar halen, vraagt zij zich af. „Wij leraren zullen slechte leerlingen laten overgaan om maar geen slechte aantekening te krijgen in ons dossier. Dat zal het niveau alleen maar omlaaghalen”, zegt ze.
Ook van een eerder plan kwam weinig terecht. Overvolle klassen, te weinig leraren, slecht salaris en amper middelen, het is als een lekke band waarvan men het gaatje niet kan vinden, omschrijft een collega van Benbelli de situatie.
Met z’n vijven wonen de leraressen in twee kamers, zonder stromend water of douche. Een gat in de grond functioneert als WC en de ruiten in de woonkamer zijn kapot. Dat de school zoveel leerlingen trekt, zo’n tweehonderd, komt door de inzet van Benbelli zelf. Elke zomer spoort ze liefdadigheidsorganisaties in Casablanca aan om geld ter beschikking te stellen, zodat ze boeken, pennen en rugzakken kan kopen voor haar leerlingen.
De ouders hebben vertrouwen in de leraressen en laten zelfs hun dochters naar school komen. De vader van een van de leerlingen heeft bij de school een waterput geslagen. Aanleg van elektriciteit hebben de leraressen uit eigen zak betaald.
In het leslokaal is de laatste leerling aan de beurt met het voorlezen van de zin. Zelfs na veertig keer dezelfde zin te hebben gehoord, heeft hij moeite met voorlezen. Zodra de leerlingen buiten staan, staat de volgende groep te trappelen om naar binnen te mogen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.