*

 

Deze nachtzuster is onvermurwbaar

Jean-Jacques Suurmond − 24/06/08, 00:00

Columnist Jean- Jacques Suurmond bericht over zijn kanker, Gods goedheid en de leugen ’ik ga niet dood’.

Nooit kan het geloof te weinig verwachten. Want als je bijvoorbeeld verwacht dat je geen kanker krijgt omdat je een ordentelijk christelijk leven leidt; het niet in de familie zit, je tweemaal per week jogt en regelmatig broccoli eet, dan kom je voor een daverende teleurstelling te staan als de chirurg ineens rond gaat bellen en je overal voorrang krijgt in het ziekenhuis. Dan kun je gaan denken dat God misschien dan wel alomtegenwoordig is, behalve in een kankerpatiënt. Hij lacht een groene glimlach in de broccoli en ritselt vrolijk in je joggingbroek, maar voor een tumor trekt hij zijn goddelijke neus op.

Nooit kan het geloof te weinig verwachten. Niet alleen omdat je een domper kunt krijgen wanneer de realiteit weigert zich naar je wensen te plooien. Onze verwachtingen hebben uit de aard der zaak altijd met iets voorstelbaars te maken, iets dat je kunt beschrijven – maar God is onvoorstelbaar en onbeschrijfelijk. Als je iets van God verwacht, zoals bijvoorbeeld gezondheid, zegt de Spaanse dichter en mysticus Juan de la Cruz (Johannes van het Kruis), dan doe je jezelf tekort. Dan ben je te snel tevreden. Waarom zou je ’iets’ van God willen als je alles kunt krijgen – namelijk God zelf?

Op een velletje papier bij zijn boek ’De bestijging van de berg Karmel’, bezingt hij ’de wijze om tot alles te komen’:

Om te komen tot het bezit van alles – wil dan niets bezitten

Om te komen tot het bezit van wat je nog niet hebt – moet je gaan langs de weg van het niet-bezitten.

Om ten koste van alles tot het Al te komen, moet je je van alles ontdoen ter wille van het Al.

Gun jezelf toch het allerbeste en aller-schoonste, wees niet zo onchristelijk bescheiden – ga voor God zelf. Dit is altijd het doel van de ascese geweest: je ontzegt jezelf het genot van bijvoorbeeld eten of seks of voetbal omwille van een hogere en intensere extase. Asceten zijn spirituele gourmands, supergenieters.

Maar soms kun je aan niets anders denken dan aan ’iets’, zoals genezing. Het besef dat de dood nabij is, geeft een wonderlijke concentratie van denken, merkte de Britse essayist Samuel Johnson op. Een concentratie die een vernauwing van de werkelijkheid veroorzaakt. Want genezing is het enige waar je nog aan denken kunt.

Bij de eerste schok toen ik hoorde dat ik darmkanker had, wenste ik hevig dat ik weer gezond zou worden. Ik wilde als het kind van een gemeentelid van mij zijn, dat toevallig op dat moment op het plastic stoeltje in het ziekenhuis naast mij zat en had gehoord dat hij een te genezen vorm van wildgroei had.

Even was genezing belangrijker voor mij dan God. Om het met de Bijbelse profeten te zeggen: genezing werd een afgod – die je dus van God afhoudt. Dat geeft altijd veel onrust en gedoe, wat de ziekte een stuk zwaarder maakt. Je gaat piekeren en tobben en de kat krijgt een schop. Hele colonnes stropen in zo’n situatie het alternatieve circuit af of, zeker in Amerika, bezoeken genezingscampagnes. Het schijnt dat je daarvoor vandaag vooral in Lakeland, Florida moet zijn.

Stel dat je daar naartoe gaat, op zoek naar wonderlijke genezing. Na een lange reis, waarbij je op de luchthaven gescand wordt op levengevaarlijke voorwerpen maar je tumor gelukkig onopgemerkt blijft, kom je in Florida aan. Daar kom je terecht in een massa mensen die niet alleen bestaat uit zieken maar zelfs ook uit doden die hun koude hoofd onder de handen van de gebedsgenezer willen schuiven, in de hoop te worden opgewekt. Na een heleboel getrek en geduw kom je eindelijk bij de genezer die je zijn getatoeëerde handen oplegt en een duwtje geeft waarna je valt in de Geest, zoals dat heet. Je hoofd raakt de rand van het platform en je komt bij in het ziekenhuis met een zware hersenschudding.

Wat een gedoe.

Dit lijkt een hilarisch verhaal, en dat is het ook, maar in mijn tijd als pastor in North-Hollywood heb ik dergelijke dingen werkelijk meegemaakt – inclusief genezers die met een Lear jet werden ingevlogen en iemand die viel in de Geest en met een loeiende ambulance afgevoerd moest worden.

Toen bleek dat ik een kwaadaardig gezwel had, voelde ik even diezelfde onrustige drang, dat felle overlevingsinstinct dat maar één ding wil: genezing. Het was maar een paar weken, maar ik herinner me die tijd als een draaikolk van emoties, angst, eenzaamheid en verdriet.

Daarna kwam er rust. Ik was niet meer zo op genezing gericht. Niet omdat ik geen angst zou kennen. Ik heb in het verleden zelfs een theologie ontwikkeld die uitgaat van de doodsangst. Als de Talmoed gelijk heeft, die zegt dat een mens zich specialiseert in zijn zwakheid, dan moet dat wel betekenen dat ik een angsthaas ben.

Ook denk ik niet dat ik de angst verdrong. Het is moeilijk om die te verdringen als een man van je eigen leeftijd, met dezelfde soort kanker als jij, naast je op zaal te horen krijgt dat hij naar huis wordt gestuurd om te sterven.

Hoe die aanvankelijk koortsachtige concentratie op genezing veranderde in kalme rust weet ik eigenlijk niet precies. God was er, als een onverklaarbare goedheid die geen last heeft van ziekte of vergankelijkheid. Dat gaf me een meta-positie, een soort grond om op te staan terwijl de golven om en over me heensloegen.

Het leek wel of dat duidelijker werd naarmate mijn leven verder werd ontmanteld. Ik ging met ziekteverlof als predikant en moest mijn praktijk voor psychotherapie sluiten. Dagelijks lag ik in mijn eentje halfnaakt onder klikkende en zoemende apparaten. Ik werd onvrijwillig de stilte en een kaal landschap ingestuurd die vervolgens ging bloeien van God. Een God waarop ik geen enkele greep heb.

God is als de nachtzuster die in het donker, terwijl iedereen op de afdeling kreunde of sliep, of allebei, achter een lamp aan door de zaaltjes liep. Geruisloos. Ze was al donker van zichzelf zodat het leek of die lamp tussen de bedden door zweefde. Dat licht gaf een vertrouwd en veilig gevoel: er was iemand die over mij waakte. Ik was niet alleen.

Verschillende malen vroeg ik haar iets: om de infuuspaal waaromheen de verpleegsters dansten uit te zetten, want die maakte herrie zodat ik niet slapen kon; om mij te verlossen van de drain; om mij niet meer te martelen met dat walgelijk zoete laxeermiddel. Op alles weigerde ze in te gaan.

Het is me nooit, maar dan ook nooit gelukt, om haar over te halen iets te doen wat ik wilde. Een grapje hielp niet, noch gemopper, noch complimenten, noch een aangrijpend beroep op ons gezamenlijke menselijke lot dat we op deze planeet maar kort te leven hebben en dat we daarom toch een beetje aardig moeten zijn voor elkaar. Het was allemaal niet aan haar besteed. Soeverein en onderbetaald ging ze haar ongekende gang.

Die nachtzuster staat symbool voor God, inclusief mijn situatie en mijn existentiële onvermogen om daaraan iets te veranderen. Ik liep op haar stuk, zoals ik op mijn kanker stukliep. En kijk, door de scherven heen, zag ik haar lamp dansen: goddelijk licht kwam mijn leven binnen. Leonard Cohen zingt: There is a crack in everything, that is where the light comes in (in alles zit wel een barst, dat is waar licht je verrast).

De controle over mijn leven werd me uit handen geslagen: de tumor groeide buiten mijn wil om in mijn lijf, ik werd bestraald, be-chemoot, geopereerd, gevoed en gewassen en moest doen wat de nachtzuster zei. Mijn in honderden jaren moeizaam verworven westerse autonomie en individualiteit werden, samen met mijn kleren, weggehangen in een anonieme ziekenhuiskast.

Ik was patiënt - dat woord heeft etymologisch te maken met geduld. Geduldig de dingen laten gebeuren, dingen waarover je weinig of geen controle hebt, met een actieve passiviteit – en zie: dan kan de goedheid van God in je geboren worden. Een beetje zoals bij Maria die haar weerstand tegen de ontzagwekkende engel Gabriël opgaf en zei: ’Mij geschiede naar u wil.’

Mijn ervaring is niet uitzonderlijk. Ik heb die vaak herkend bij gemeenteleden die ernstig ziek waren en met hun onmacht ten aanzien van hun sterfelijkheid werden geconfronteerd.

Ook in de literatuur is het een bekend thema. Tolstoy beschrijft in ’De dood van Iwan Iljitsj’ hoe een sjoemelende, kleinburgerlijke ambtenaar door het naderen van zijn dood mededogen leert en zijn doodsangst verdwijnt. ’In plaats van dood was er licht.’ Daar heb je de nachtzuster met haar lamp.

De Amerikaanse psychiater Irvin Yalom citeert onderzoek verricht onder patiënten die lijden aan terminale kanker. Dat kan bij sommigen leiden tot paniek en bitterheid, zoals bij die buurman bij mij op zaal die net te horen had gehad dat hij aan zijn laatste stukje begonnen was. Dan is de illusie nog niet gebroken, de waan dat we de scepter zwaaien over ons eigen leven, als over een eenmansstaatje.

De meerderheid van de patiënten die Yalom beschrijft, verklaart echter intenser te zijn gaan leven, meer te genieten en een diepere zin in het leven te ervaren. De nabijheid van de dood ontspant hun controlerende greep op het bestaan en leidt tot overgave aan iets onvoorwaardelijks, iets dieper en wezenlijker dan ze ooit gekend hebben. Het is een overgave aan het licht dat door de barsten van hun situatie schijnt, aan ’datgene boven welk niets groters gedacht kan worden’, om het met de middeleeuwse theoloog Anselmus te zeggen.

Die overgave is een bevrijding uit ons vernuftig georganiseerde, totalitaire eenmansstaatje dat de dood buitensluit – en anderzijds het leven opsluit in een beheersbaar patroon. Doodsangst leidt tot levensangst, want wie leeft gaat vroeg of laat dood. Dat is nu eenmaal een onhebbelijke eigenschap van het bestaan.

Angst voor de dood brengt verstarring; we durven niet open en spontaan te leven en mijden uitdagingen en risico’s. We vrezen het avontuur. Het leven moet voorspelbaar zijn, stram naar ons salueren. De grondwet van dat eenmansstaatje bestaat uit één zin: ’Anderen gaan dood, niet ik’. Dat is een leugen, want we zijn geen onsterfelijke goden. Zelfs op onze troon zitten we nog altijd op onze sterfelijke anus, zegt de wijsgeer Pascal terecht.

’De waarheid maakt vrij’, zegt het Evangelie. Vrij waartoe? Vrij om bemind te worden. Het Evangelie brengt het vrolijke nieuws dat we onze tijd niet hoeven te verdoen met het begeren van risicoloze ’ietsen’ om ons grauwe eenmansstaatje op te leuken, zoals een andere keuken of een glanzende auto.

De ervaring leert echter dat er in het leven meestal eerst een pre-evangelische fase komt (er zijn zelfs mensen die daar hun hele leven in blijven hangen). Daarin moet je eerst door de Koopgoot heen. Het is een fase waarin het verwerven van ’iets’ grote prioriteit heeft. Dat is goed voor de economie, dus laten we daarover niet klagen. Maak er, zolang het duurt, het beste van zou ik zeggen; geniet ervan. Heb je BMW lief, streel je nieuwe inbouwkeuken, bedenk je paranormale genezer met een leuk bedrag.

Maar op een gegeven moment zul je ontdekken dat je de dingen overvraagt. De bevrediging die zij kunnen geven, heeft een grens. Ze hebben namelijk geen verstand van het geheim van het leven. Word dus niet gefrustreerd of boos op ze, ze kunnen het niet helpen. Want ze zijn ’iets’, niet ’alles’.

Het evangelie brengt het goede nieuws dat we niet hoeven te wachten totdat we kanker krijgen om meer te ontvangen dan we bidden of denken kunnen (al kan een dodelijke ziekte beslist een handje helpen bij angsthazen als Iwan Iljitsj en ik). Zo’n grenservaring tast de muren van ons eenmansstaatje aan, maar ook zonder die kunnen we open worden voor het besef dat we bewoond worden door een onmetelijke goedheid.

Hollands blozend, kunnen we nu al sterven en opstaan met Christus. Sterven is de alleenheerschappij over ons leven opgeven, is bressen in de muur laten ontstaan waardoor het licht naar binnen kan stromen. Sterven is overgave, het vermogen om te laten gebeuren wat tegelijk het moeilijkste en mooiste is wat een mens kan overkomen.

Dat is: bemind worden door een goedheid die trouw wacht tot we genoeg krijgen van alle ’ietsen’; een goedheid die ’alles in allen’ wil worden. Dan gaan we meer genieten dan ooit van onze auto en inbouwkeuken.

Want we eisen van die dingen niet meer het onmogelijke.

Evangelisch sterven maakt werkelijk leven mogelijk: vertrouwend, open, oorspronkelijk, vol vreugde. Zonder overgave missen we de gave van het ware leven. Terugkijkend, zien we dat het eenmansstaatje waarin we ons aan het leven vastklampten geen leven was, maar een kwijnend bestaan waarin we verstrikt zaten. Onze zucht naar controle kneep er alle kleur en spontaniteit uit. Het was een bes, dicht Johannes van ’t Kruis.

Dat doet hij op het ritme van een volksliedje. Het heet ’Ik leef, maar niet in mijzelf’:

Haal mij weg vanuit dit sterven,

O mijn God, en geef mij ’t leven;

Wil mij niet gevangen houden

In een strik zo sterk als deze;

‘k lijd om u te zien, bedenk het:

Mijn ellende is zo volkomen,

Dat ik sterf aan mijn niet-sterven.

Wie zo smartelijk verscheurd wordt, ziet voor hij het weet het licht van de nachtzuster verschijnen.

mailIcon print |