*

 

Bescherm het recht tegen populisme

Joop van Rijswijk − 07/03/08, 00:00

Verwerp het pleidooi om ’ingesleten rechtsbeginselen’ los te laten. Het voorkomen van fouten is effectiever.

De laatste jaren hebben de media steeds meer belangstelling voor geruchtmakende strafzaken. Waar opsporingsinstanties schijnen te falen neemt de wettelijk onbevoegde ’misdaadverslaggever’, zoals Peter R. de Vries, het onderzoek over. Hij ’klaagt aan en verdedigt’. En bereikt, zoals in de zaak van Joran van der Sloot, miljoenen kijkers.

Wellicht onder invloed van deze ontwikkeling is er bij Justitie een beweging gaande die erop gericht schijnt om, zoals hoofdofficier van justitie Korvinus uitdrukte, afstand te nemen van ’ingesleten rechtsbeginselen’, omdat onze tijd daarom vraagt. Het samenspel tussen media en populistische politici kan leiden tot Amerikaanse toestanden in onze rechtspraak, waarbij het op den duur niet meer primair gaat om waarheidsvinding, maar om het behalen van resultaat. Dat gevaar is niet denkbeeldig.

De minister van justitie bereidt immers een wetsvoorstel voor, waarbij het mogelijk wordt een verdachte, die is vrijgesproken, opnieuw voor hetzelfde delict te vervolgen. De voorzitter van het college van procureurs-generaal verdedigt dit met het argument dat door revolutionaire ontwikkelingen in de onderzoeksmethodes nieuw bewijs kan komen tegen een vrijgesprokene; dan moet er een wettelijk instrument zijn om zo iemand alsnog veroordeeld te krijgen. Dit betekent een breuk met een aloud principe in de Nederlandse strafpraktijk: een verdachte mag niet tweemaal voor hetzelfde delict worden vervolgd.

Tot nu toe is de praktijk van het strafrecht in ons land dat een verdachte zijn onschuld niet hoeft te bewijzen. Het is aan het OM het wettig en overtuigend bewijs van zijn schuld te leveren. Als het OM daarin niet slaagt, spreekt de rechter de verdachte vrij. Bovendien hebben OM en verdachte het recht op hoger beroep. Ook het gerechtshof buigt zich over de inhoud van de strafzaak en beoordeelt zelfstandig de waarde van het bewijsmateriaal.

In de Deventer moordzaak werd de verdachte door de rechtbank vrijgesproken, maar in hoger beroep door het gerechtshof veroordeeld. Dan is er tenslotte de Hoge Raad. Als hij vaststelt dat er in een zaak juridische fouten zijn gemaakt kan hij die voor nader onderzoek naar een gerechtshof terugverwijzen. Het Wetboek van Strafvordering geeft het OM veel middelen om een strafvervolging adequaat uit te voeren. Als een verdachte uiteindelijk definitief wordt vrijgesproken, dan dient de zaak te worden gesloten, hoe onbevredigend een vrijspraak bij gebrek aan bewijs ook mag zijn.

Een ander voorbeeld van afstand nemen van ’ingesleten rechtsbeginselen’ is de verschuiving in de strafrechtspraak van het ’daadstrafrecht’ naar het ’ideeënstrafrecht’. Dat blijkt uit een onderzoek van het Kennispunt Rechten van de Universiteit Utrecht. Volgens dat onderzoek heeft de Hoge Raad in de strafzaak van de van terrorisme verdachte Samir A. ’aangegeven’ dat hij de intentie van de dader belangrijker vindt dan de vraag of hij de samenleving daadwerkelijk aan gevaar heeft blootgesteld.

De Wet Terroristische Misdrijven bestrijdt het terrorisme met het oog op de bescherming van onze parlementaire democratie en rechtsstaat. De vraag rijst of juist in dat kader de grenzen van ons strafrecht niet verder worden opgerekt dan voor de bescherming van onze rechtsstaat verantwoord is.

Het ideeënstrafrecht herinnert aan het Willensstrafrecht, dat nationaal-socialistische rechters in het Derde Rijk toepasten. Kern daarvan was de bestraffing van de wil van de dader en niet van de gevolgen van zijn daad. In die gedachtengang moet het besluit tot het begaan van een misdrijf en van het begin van uitvoering daarvan gelijk worden gesteld met een voltooid misdrijf.

Kabinet en Staten-Generaal zouden bij het loslaten van het ne bis in idem en de verschuiving van daadstrafrecht naar ideeënstrafrecht kunnen bedenken dat, als men eenmaal geijkte rechtsbeginselen loslaat, er nauwelijks meer een weg terug is.

In plaats van dit alles kan het OM zich beter concentreren op het juridisch waterdicht formuleren van dagvaardingen. Daar mankeert het nogal eens aan. Bij de Haagse ’metselmoord’ achtte de rechtbank niet bewezen dat een van de verdachten zich aan medeplegen van moord had schuldig gemaakt. Wel had hij deelgenomen aan het inmetselen van de beide slachtoffers. Maar dat was hem niet ten laste gelegd. Dus moest de rechtbank hem vrijspreken. Als het OM dit soort fouten voortaan vermijdt, draagt het bij aan het herstel van het vertrouwen van de burgers in de rechtspraak in dit land.

mailIcon print |