Mocht u, beste lezer, mij de komende weken willen spreken, dan zult u de subtropische kas in moeten. Op midzomernacht was ik in die kas, op het terrein van de Botanische tuinen van de Universiteit Utrecht. Daar zat een risico aan. Maanden geleden al, toen het nog guur en donker was, besloot het koor waarin ik zing, een midzomeravondconcert te houden. Op 21 juni natuurlijk, dat dit jaar op een zaterdag viel. Daar, tussen de vleesetende planten en de bananenbomen, zouden we zingen over rozen die met hun doorns de liefdevolle handen van hun verzorgers prikken, een gedicht van Rilke. En over moerasplanten, over avondlicht, met teksten van Shakespeare en nog zo wat, alles passend bij de kortste nacht waarin het nauwelijks donker wordt. Het woord voetbal was wel gevallen, maar dat woven we weg. Oranje zou het toch niet ver schoppen, dachten we.
Dat liep anders. Heel Nederland hield de adem in, die avond van de midzomernacht. Het koor hield crisisberaad. Shakespeare of voetbal? Moesten we het concert, gepland vanaf negen uur, vervroegen. Zeven uur al beginnen? Een groot scherm huren, om direct te kunnen kijken na de laatste noten? Onze dirigent zei ferm dat er ook mensen zijn die niet van voetbal houden. En die zouden vast naar ons komen luisteren.
We brachten de avond door in de subtropische kas van de Botanische tuinen in de Uithof, het universiteitsterrein ten oosten van de stad Utrecht. Het was er warm, maar prettig warm. Verscholen tussen de bananenbomen zongen we, nog ongezien voor het publiek, het eerste lied. Alle stoelen waren bezet.
We deden ons best op de rozenliederen van Morten Lauridsen, met de gedichten van Rilke. Waarom die doornen, roos, wie is je vijand? Tegen wie gebruik je die wapens? Vanuit de verte, buiten de kas, hoorden we geloei. De dirigent zette grote ogen op. Aandacht, dames en heren, laat je niet afleiden.
Halverwege de Flowersongs van Britten gebeurde er iets. Er kwam nu geluid vanuit de kas zelf. Waren het vogels die met ons meezongen? Een bescheiden geluid, veel ijler dan uit een mensenkeel kon komen, met snelle wendingen en grappige sprongen. Het zong en vlocht zich door ons concert heen, als een serpentine langs de lijn van de tenoren, als vlaggetjes langs de sopranen. Wonderlijk, hoe dat gefluit, of wat het ook maar was, zomaar paste bij alles wat wij zongen. In de pauze vertelde een van de gidsen van de Botanische tuinen, dat het geen vogels zijn, maar boomkikkers. Na de pauze zongen de boomkikkers vrolijk mee en ook klonk er af en toe een gejoel vanuit de wereld buiten de kas. Dat onze intonatie niet altijd even precies was, maakte niet uit. Het hinderde de kikkers niet, waarom zou het ons dan hinderen? Zij kwinkeleerden verder, op deze midzomeravond, wij ook. Van tijd tot tijd viel een druppel vanuit de metershoge plant waar ik onder stond, precies op mijn partituur.
Op dat moment viel alles samen, de natte vlekken op de Shakespeare-liederen van Vaughan Williams, de zingende boomkikkers, alle mensen die liever naar ons kwamen luisteren dan naar het televisiescherm te kijken. In de aangename warmte van de kas, even boven de twintig graden, leunde ik in gedachten achterover, terwijl een deel van mij verder zong. Hier blijven, voor een tijdje.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.