*

 

Het beste tegengif tegen de gekte die oorlog heet

Willem Breedveld − 14/05/08, 00:00

Oorlog wekt zowel bewondering, ontroering en euforie op, als afschuw, verdriet en verbittering. Oorlog spreekt hoe dan ook tot de verbeelding. Alleen al om die reden zijn oorlogsverslaggevers eerder geneigd te appelleren aan sentiment dan ratio. Aldus enkele jaren geleden de historicus M. Bossenbroek in het blad Maatschappij en Krijgsmacht. Een jaar later, in 1996, schroomde de columnist Bluntschli niet de oorlogsverslaggever mede om die reden in het militaire blad Carré te omschrijven als ’een combinatie van een zelfbenoemde held, een gewillige propagandist en een bewuste mythevormer’.

Met deze kenschetsen in het achterhoofd bleef ik zaterdag op de podiumpagina meteen haken bij de kop: ’Pure oorlogsverslaggeving blijft’. Daaronder de samenvatting van een hoofdstuk uit het boek ’Het maakbare nieuws’ van Minka Nijhuis, die Trouw-lezers ongetwijfeld kennen van haar reportages in deze krant over oorlogsgebieden als Irak en Burma. Wat is er ’puur’ aan oorlogsverslaggeving? En wat blijft er hangen? Niks dan narigheid en ellende, dacht ik, voor ik ook maar één letter van het geschrevene tot me had genomen. En in een bonte stoet zag ik de oorlogstaferelen weer, zoals die in de loop der jaren via de media tot mij gekomen zijn. Beelden van ontredderde burgers, weeklagende vrouwen, schietende mannen (zelden vrouwen) en eindeloze zwermen vliegtuigen, waarvan je weet dat ze gevaarlijke bommen aan boord hebben en je soms de gevolgen te zien krijgt.

De zin van deze beelden is vaak ver te zoeken, tenzij je geneigd bent je te laten meeslepen door de begeleidende oorlogsretoriek, waarin veelal sprake is van een gerechtvaardigde oorlog tegen een wrede, niets ontziende vijand, die een regelrechte bedreiging vormt voor onze vrije samenleving. In die opgeklopte sfeer staat de oorlogsverslaggever al gauw voor een onmogelijke opgave. Het is levensgevaarlijk aan het front. Hij mist ieder overzicht om op een behoorlijke wijze de feiten op een rijtje te zetten. Zijn bewegingsvrijheid is beperkt en een dubbelcheck van de feiten, bijvoorbeeld bij de ’vijand’, is een illusie, want per definitie ingegeven door propagandistische doeleinden. Bovendien heeft de oorlogsverslaggever te maken met een thuisfront dat vooral wil horen wat het wil horen, zodat kritische verslaggeving al gauw wordt uitgelegd als te subjectief en deloyaal.

Probeer onder deze omstandigheden maar eens pure oorlogsverslaggeving te plegen en door de muur heen te breken dat in tijden van oorlog de eigen zijde van het front altijd de waarheid spreekt en de vijandelijke zijde zich altijd van leugens bedient. Of zoals Winston Churchill dit punt in het Britse Lagerhuis verdedigde: in tijden van oorlog is de waarheid zo belangrijk ’dat ze soms beschermt dient te worden door een laag van leugens’. Daarmee vergeleken hebben journalisten in het huidige informatietijdperk onmiskenbaar belangrijke winst geboekt op de almacht van de oorlogspropaganda. Er lijkt sprake te zijn van redelijk betrouwbare informatie over het verloop van de strijd. Hoewel de inval in Irak volgens een laatste telling gebaseerd blijkt te zijn op maar liefst honderddertig leugens.

Pure oorlogsverslaggeving lijkt dus onmogelijk. Toch heeft Minka Nijhuis een punt waar zij stelt dat de oorlogsverslaggever wel degelijk toegevoegde waarde heeft, en ook puur kan zijn en wel door te schrijven over de denk- en leefwereld van de mensen die moeten zien te overleven in die gebieden. Zij zegt: „Het zijn juist kleine, persoonlijke kronieken die beklijven, veel meer dan de nieuwsberichten of algemene verhalen die na verloop van tijd allemaal op elkaar gaan lijken en die de lezer alleen maar verder afstompen.” Zo is het maar net. En als je het mij vraagt zijn deze kronieken ook het beste tegengif tegen de gekte die oorlog heet.

mailIcon print |