*

 

’We wonen in een grote gevangenis waar al 40 jaar niets verandert’

Eduard Padberg − 07/03/08, 00:00

De Libische leider Kadafi stuurde deze week zijn ministers naar huis. Want de Libiërs merken niets van de olie-inkomsten, zei hij. Die beamen dat: echte verandering blijft nog uit.

De woestijn wint langzaam van de grasmat in het Stadion van de Revolutie in Tripoli. Al-Ittihad, de regerend kampioen van Libië, speelt thuis. Het stadion is voor nog geen tiende gevuld.

„De helft van de toeschouwers zijn agenten in burger”, fluistert een toeschouwer. Hij loopt snel weer door.

Nadat Al-Ittihad in de laatste minuut de winnende treffer scoort, stromen de bezoekers naar buiten.

Fawzy gaat weer aan het werk. Overdag werkt hij in een farmaceutisch bedrijf, ’s avonds klust hij bij als taxichauffeur. Hij legt zijn Ittihad-sjaal op het dashboard. Hij woont met zijn vrouw, moeder en vijf dochters in een klein appartement. Hij omschrijft zijn situatie met enkele vloeken in het Engels.

Het lukt maar niet om zijn dochters uit te huwen, klaagt hij, omdat de jonge mannen de bruidschat niet kunnen opbrengen.

Fawzy manoeuvreert zijn auto langs de gaten in het slechte wegdek. De berm ligt vol met huisvuil. „Libië is rijk, maar de mensen hebben niets. Het geld komt niet langs de overheid, de politie en het leger.”

De Libische leider Kadafi gaf deze week toe dat de miljarden petrodollars die na de internationale rehabilitatie van het land in 2003 binnenstroomden inderdaad zijn verkwanseld. Hij dreigde het kabinet te ontslaan en kondigde hervormingen aan om aan ’de eisen van deze tijd’ te voldoen. „Alle burgers hebben het recht om te profiteren van de olie-inkomsten”, zei Kadafi. „Het is hun geld, ze mogen ermee doen wat ze willen.”

Fawzy gromt: „Al die grote woorden. Ze betekenen niets.” Hij moppert dat al het geld naar Afrika gaat, in lijn met pan-Afrikaanse ideologie van de leider. „Wat krijgen we daarvoor terug? Bied eerst de mensen hier een goed leven.”

De economische hervormingen die de afgelopen jaren in Libië zijn doorgevoerd, hebben een enorme inflatie teweeggebracht en de kloof tussen arm en rijk vergroot. Fawzys (overheids)salaris is al tien jaar niet meer gestegen. Van de economische groei van meer dan 7 procent en de beloofde nieuwe openheid ziet hij niets terug. „Wij wonen in een grote gevangenis”, zegt Fawzy, wijzend op de groepjes bellende mannen op straat. De geheime dienst, de moekhabarat, is nooit ver weg in Libië. „Er is helemaal niets veranderd, al veertig jaar niet. Ik vervloek de olie. Ik vervloek Kadafi.”

Slechts een klein deel van de bevolking profiteert van de liberalisering van de economie. „Alles blijft in handen van de familie van Kadafi”, zucht Fawzy. „Straks komt zijn zoon aan de macht. Houdt dit drama dan nooit op?”

De zoon van Kadafi, Seif al-Islam, is een van de belangrijkste krachten achter de verbeterde relatie met het Westen en wordt gezien als opvolger van zijn vader. Hij is als het hoofd van de Kadafi-Stichting, de enige (quasi-)ngo in Libië, verantwoordelijk voor het mensenrechtenbeleid.

Hoewel er nog steeds "mensen zomaar gearresteerd worden en je nog steeds geen eerlijke rechtszaak hoeft te verwachten", is er volgens advocaat en mensenrechtenactivist Giuma Atigha toch sprake van verbetering.

Atigha zat zeven jaar in de gevangenis wegens zijn oppositie tegen het regime. Hij werd er door Seif al-Islam uitgehaald, en kreeg een baan aangeboden in diens stichting ’om het systeem van binnenuit te veranderen’.

Atigha constateert ’een klein begin van vrije meningsuiting’ in Libië, met kranten die de corruptie in het land aan de kaak stellen. „Het blijft een risico. Je weet nooit hoe de veiligheidsdiensten reageren. Maar het regime went langzaam aan de nieuwe realiteit.”

Van westerse overheden, die in de rij staan voor lucratieve Libische contracten, verwacht Atigha geen steun. Tijdens de staatsbezoeken van Kadafi aan Europa werden ’politiek gevoelige’ onderwerpen vermeden, stelt hij. „Het is niet de eerste keer dat we teleurgesteld zijn in het Westen.”

mailIcon print |