Betreffende het hufterpercentage onder de mensheid meende ik ooit op het ontstellende getal van 16,6 procent gestuit te zijn, een getal ontleend aan een vliegensvlug in het virtuele geregelde rondvraag onder alle individuen, tijdperken, beroepen, vorstenhuizen, dj’s, regeringsleiders, generaals en romanfiguren die ik ken.
Je kunt met dit getal alle kanten op en er dus ook je eigen woning mee betreden en dan blijken wij ook van binnen voor 16,6 procent uit hufterigheid te bestaan, hoewel niemand dat op zijn of haar gevel zal zetten. Nee, op ons uiterlijk staat meestal: ’hufterpercentage vrijwel nul’, een homeopathische dosis zeg maar. We hebben er miljoenen jaren aan gesleuteld om het zodanig geformuleerd te krijgen dat het doenlijk is om in grote groepen bijeen te leven.
Wat die hufterigheid betreft, als je de geschiedenis in gaat is het vrijwel onmogelijk je te onttrekken aan de gewaarwording of het vooroordeel van toenemende hufterigheid. Zelfs in de Bovenwereld, want eigentijdse Godmakers zullen niet gauw komen aanzetten met een Opperwezen dat het een goed idee vindt om eens te kijken of u bereid bent uw kind voor hem te vermoorden, nee, men komt tegenwoordig aanzetten met een type dat zijn Levinas goed paraat heeft.
In Assen gingen we kijken naar een welkom teken van afnemende hufterigheid, de terracotta soldaten van wat we slordigweg maar de eerste Keizer van China noemen, uit 221 vC. In het gidsje las ik dat de voorgangers van de Keizer het niet met terracotta deden, maar dat ze echte levende mensen en dieren op grote schaal slachtten om met zich mee te nemen naar het volgende leven.
Wat kan er in die hoofden zijn omgegaan dat men dacht dat het zin had om zoveel dood aan die ene dood toe te voegen? Het is alsof iemand een kostbare vaas in stukken gooit en daarbij uitlegt dat hij hem dan straks weer kan gebruiken.
Stel dat de Keizer in de dood tien paarden nodig heeft. Je neemt de arme dieren mee naar de rand van het graf en maakt ze dood. Nu moet je de kadavers verslepen naar de plek waar ze hun functie in het dodenrijk gaan uitoefenen. Hebt u wel eens een dood paard versleept? Nee, ik ook niet, maar het is een heel gelazer. Een dergelijke notie ’paarden nu doodmaken dan heb je er straks wat aan’ werd niet alleen opgedroomd in een filosofisch symposium. Ze gingen er echte paarden voor slachten. En met de resulterende echte paardenkadavers gingen ze aan het slepen en ik vraag me dan af wat die mensen op dat moment gedacht kunnen hebben over de berijdbaarheid van deze domme hompen vlees in wat voor dimensie dan ook.
En dat waren dan nog maar de paarden. Wat moeten de te slachten mensen gedacht hebben over hun lot? En wat dachten de slachters? Was er reeds jaren voor de dood van een Keizer een lijst bekend van kandidaat wijnschenkers in de volgende dimensie? Hoe voelde dat als de Keizer ziekelijk werd?
Wat enigszins geruststellend zou zijn, is de gedachte dat iedereen dat toen gewoon vond. Dat iedereen voelde dat je dit wel moest doen voor de Keizer, die immers de ziel was van het hele rijk, die de wereld draaiend hield, die oogst en oorlog beheerste, die als enige iets vermocht in de Bovenwereld, met wiens lot het jouwe volmaakt vergroeid was, ik roep maar wat.
Deze idyllische mogelijkheid wordt onderuit gehaald door het bestaan van grafrovers. Ook in het heel oude Egypte vind je deze onthutsende variant van bemoeienissen met de pharaoh. Er bestond kennelijk altijd een groep nuchteren die al dat gejaag in de eeuwige velden gewoon worst was, maar die wel wisten wat je voor goud kon beuren op de zwarte markt. Ook het ontzagwekkende terracotta leger werd al gauw nadat het de eeuwigheid in gestuurd was, geplunderd, vernield en verbrand. Er waren kennelijk wel andere gezichtspunten voorhanden en dat stemt ongemakkelijk over de geestestoestand van de geofferden voordat zij aan hun eeuwigdurende dienst konden beginnen.
Daarom dacht ik dat de terracotta figuren zo’n prachtige illustratie vormden voor afnemende keizerlijke hufterigheid. De Keizer regelde het immers zo omdat hij afzag van mensenoffers. In het gidsje wordt deze overgang anders gemotiveerd maar ik vroeg het eerst aan mijn reisgenote: ’Waarom denk jij dat ze ophielden met die mensenoffers?’ Haar antwoord was een weifelend: ’Omdat het niet hielp?’
Het antwoord in de gids mag er ook zijn: ’Waarschijnlijk besefte men dat met het doden van mensen nuttige arbeidskrachten verloren gingen.’
Dat vind ik wel heel erg plat. Van een dergelijk nuttigheidsdenken is geen spoor aan te treffen in deze merkwaardige orgie van metafysisch georiƫnteerde consumptie.
Eigenlijk snappen we weinig van deze mensen, en dan is het bijna vertederend om te stuiten op een detail dat hen ineens pal naast ons plaatst. Het lichaam van de Keizer moest na zijn dood over een aanzienlijke afstand worden verplaatst, zodat de ontbinding inzette. Om de keizerlijke stank te overstemmen werd het bedekt met rottende vis.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.