*

 

Zijn magere klimaatafspraken dramatisch?

Joep Engels − 10/12/09, 00:00

Stel dat het akkoord in Kopenhagen volgende week minder ver gaat dan wetenschappers noodzakelijk achten om binnen een veilige twee graden opwarming te blijven. Een akkoord lijkt beter dan geen akkoord. Maar hoe erg zijn minimale afspraken?

Het is de vroege ochtend van zaterdag 19 december 2009. De wereldleiders hebben de hele nacht doorgehaald.

Bij het krieken van de dag lijkt het erop dat ze op de klimaattop in Kopenhagen alsnog een akkoord hebben bereikt. Een vermoeide president Obama spreekt de verzamelde pers toe. „Dit is een historische dag. De meningsverschillen waren groot, maar de kloof is overbrugd. Vandaag zijn de landen van deze wereld overeen gekomen hoe ze de opwarming gaan beteugelen.”

Maar als de details van het akkoord bekend worden, slaat de twijfel toe. Het akkoord gaat minder ver dan wetenschappers vooraf noodzakelijk hadden geacht om binnen een veilige twee graden te blijven. De rijke landen verminderen hun uitstoot van broeikasgassen in 2020 niet met 25 à 40 procent, maar slechts met 20 procent. En de toezeggingen van India en China zijn zo vaag dat nog maar moet worden afgewacht wat er in 2020 van terecht komt.

Stel dat het volgende week zo afloopt in Kopenhagen. Moet de wereld dan blij zijn omdat er een akkoord ligt? Of juist wanhopen omdat het akkoord ontoereikend is? Hoe dramatisch zijn magere afspraken?

Het is een vraag waar Joop Oude Lohuis, teamleider klimaat van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL), niet een-twee-drie het antwoord op weet. Natuurlijk, een akkoord is beter dan geen akkoord. Het Kyoto Protocol loopt in 2012 af. Er moeten nieuwe afspraken komen voor de periode tot 2020. Bovendien is het belangrijk dat er een doel voor de langere termijn is. Oude Lohuis: „Als men afspreekt dat de rijke landen hun uitstoot van broeikasgassen in 2050 met 80 procent moeten hebben verminderd, weten burgers en bedrijven ook waar ze aan toe zijn.”

Maar het pièce de résistance voor Kopenhagen wordt toch de vraag of de afspraken voldoende zijn om de opwarming van de aarde binnen de perken te houden. Deze zomer beloofden de rijkste landen, verenigd in de G8, dat die opwarming niet boven de twee graden uit zou komen.

Die norm van twee graden is echter geen strikt wetenschappelijke keuze. Hij is gebaseerd op het oordeel van deskundigen dat allerlei systemen zoals koraalriffen of poolgebieden een hogere opwarming niet kunnen verdragen. En dat bij meer dan twee graden de kans groot wordt dat processen in gang worden gezet die de opwarming versterken, zoals het vrijkomen van methaan uit de oceanen of ontdooiende toendra’s.

Dat wil zeggen, het was een oordeel uit het begin van de jaren negentig. Inmiddels denken sommige wetenschappers dat een opwarming van meer dan één graad al gevaarlijk is. Misschien krijgen ze gelijk maar het is een gepasseerd station. Zelfs als de mens vandaag volledig zou stoppen met de uitstoot van broeikasgassen, stijgt de gemiddelde temperatuur op aarde in totaal anderhalve graad –de opwarming ligt nu al op plus 0,8 graden.

Twee graden is dus de norm, maar de vraag welke concentratie broeikasgassen daar bij hoort, heeft geen eenduidig antwoord. Daarvoor zijn er te veel onzekerheden in het klimaatsysteem.

Op dit moment is die concentratie, omgerekend naar zogeheten CO2-equivalenten, 430 ppm (deeltjes per miljoen). Als je ook de verkoelende roetdeeltjes meerekent, is het 390 ppm. Omdat het klimaat traag reageert op de groeiende concentratie van broeikasgassen, zal de temperatuur nog een tijdje stijgen, ook als we nu het niveau op die 390 ppm zouden weten te handhaven.

De modellen zeggen dat bij een constant niveau van 400 ppm de opwarming vermoedelijk beneden de twee graden blijft. Preciezer gezegd: bij 400 ppm is de kans 40 tot 90 procent dat de twee graden niet wordt overschreden. Bij 450 ppm is die kans 20 tot 70 procent, en bij 550 ppm is die minder dan 35 procent. Deze ruime marges hebben wetenschappers voor de politiek handzaam samengevat in de conclusie: bij een norm van twee graden hoort een concentratie van 450 ppm.

Daar stevenen we met grote snelheid op af en als de wereld op de huidige voet doorleeft, is die 450 ppm al vóór 2030 bereikt. Er is één troost: het klimaat kan dit tempo niet bijbenen. Het is daarom niet erg als de 450 ppm even wordt overschreden. Als de uitstoot daarna maar snel genoeg zakt, blijft de tweegradennorm binnen handbereik.

De onderzoekers van het PBL hebben deze week uitgerekend hoe snel. De wereldwijde uitstoot van broeikasgassen, die de afgelopen jaren is gegroeid met ruim drie procent per jaar, moet vanaf 2020 gaan dalen. Daarvoor is het nodig dat de rijke landen hun uitstoot in 2020 met 25 à 40 procent hebben verminderd –vergeleken met het niveau van 1990. Ontwikkelingslanden en opkomende economieën als China en India moeten in 2020 15 à 30 procent lager zitten dan het niveau dat ze zonder klimaatbeleid zouden bereiken.

De peildatum van 2020 biedt een iets ruimere marge dan het IPCC, het klimaatpanel van de VN toestond. Volgens het IPCC moest de groeicurve van de uitstoot al in 2015 zijn omgebogen in een daling. Kennelijk zat er nog wat rek in het geheel, maar die is er volgens het PBL na 2020 helemaal uit. „Als de omslag in 2020 niet is bereikt, wordt het zo goed als onmogelijk om de norm van 450 ppm te halen”, zegt Joop Oude Lohuis. „En wordt de kans dat we beneden de twee graden blijven, veel kleiner dan 50 procent.”

Die opmerking is gebaseerd op het tempo waarin een samenleving zich kan omvormen. Als vandaag de elektrische auto op de markt komt, heeft morgen nog niet iedereen zo’n ding. Mensen kopen pas een nieuwe auto als de oude is afgeschreven, of in elk geval, als het rendabeler is om een nieuwe te kopen. Dat principe geldt ook voor de vervanging van elektriciteitscentrales of verwarmingsketels.

Dat leidt ertoe dat een samenleving haar uitstoot van broeikasgassen niet sneller dan met 3 à 4 procent per jaar kan verminderen en dat de 450 ppm buiten beeld raakt als we in 2020 niet op schema zitten. Oude Lohuis: „Het kan wel sneller, maar dan praat je over oorlogsscenario’s. Dan interesseren ons de kosten niet meer, dan is alleen het doel nog maar heilig.”

Dat brengt ons terug bij de beginvraag. Als de afspraken komende week voor 2020 onvoldoende zijn, zouden we er tegen die tijd een schepje bovenop kunnen doen. Zeker als dan de klimaateffecten echt voelbaar worden. Oude Lohuis is daar pessimistisch over. „Zo werkt het meestal niet. De praktijk is vaak weerbarstiger. Inspanningen zakken eerder in dan dat ze onderweg worden aangescherpt.”

Als het akkoord volgende week te mager blijkt, rest er nog maar één hoop. Dat in al die onzekerheden het muntje toch nog de goede kant op valt. Maar de kans daarop is wel erg klein.

mailIcon print |