Via overheidssteun halen kerken een paard van Troje binnen: de staat zal invloed willen uitoefenen op het door haar gefinancierde project.
De gemeenteraad van Amsterdam wil eisen stellen aan het personeelsbeleid van organisaties die voor de gemeente werken (het college van b. en w. voelt daar niet voor, Trouw 9 december). Dat geldt dus ook voor religieuze organisaties, zoals het Leger des Heils.
De scheiding van kerk en staat is een informeel staatsrechtelijk principe met een grote invloed dat enorm tot de verbeelding van politici spreekt. Omdat deze ‘wet’ nergens is opgeschreven, kan iedereen het begrip inzetten zoals hij of zij wil. Oorspronkelijk is dit principe bedoeld om individuele (religieuze) burgers te beschermen tegen de machtige staat en haar staatsreligie (in Nederland lang een bepaalde stroming uit het protestantisme). Nu de Nederlandse staat geen officiële religie meer kent, geldt het principe nog steeds als bescherming van de burgers dat elke gelovige zijn of haar godsdienst in rust en vrede mag beoefenen, in het privé- én het publiek domein, zo lang de openbare orde niet verstoord wordt.
Als Agnes Kant (Trouw, 4 december) de scheiding kerk-staat in stelling brengt tegen het betalen van religieuze organisaties uit de staatskas, mist zij doel. Het Leger des Heils helpt namelijk alle dak- en thuislozen die zij tegenkomt, en checkt niet eerst de religie van de hulpbehoevende. De uit algemene middelen betaalde religieuze organisatie discrimineert niet aan de vraagkant. Natuurlijk zal een religieuze organisatie aan haar werknemers vragen de religieuze grondslag van de organisatie te onderschrijven. Dat lijkt me vanzelfsprekend. Zolang er aan de vraagkant geen verboden onderscheid wordt gemaakt, kan de scheiding kerk-staat gerust op stal blijven staan. Eventueel is dit een ‘zaak’ voor de Commissie Gelijke Behandeling, maar dan geldt het een ander staatkundig principe, het non-discriminatiebeginsel.
Aan de andere kant zou ik de religieuze organisaties juist willen waarschuwen voor een te grote financiële afhankelijkheid van de overheid. Afhankelijkheid betekent namelijk altijd een verlies aan autonomie. Natuurlijk is het voor kerken aantrekkelijk dat hun projecten gefinancierd worden, maar ze halen het paar van Troje binnen. De staat zal direct invloed willen uitoefenen op het door haar gefinancierde project. Vanuit de staat gezien is dat logisch: wie betaald, bepaalt. Maar vanuit religieus oogpunt is dat het slechtste wat kan gebeuren. Het primaire bestaansrecht van de kerken bestaat uit de tegendraadse verkondiging van een God-die-alles-anders-wil. Deze profetische taak van kerken en religieuze organisaties moet bijna onvermijdelijk worden opgegeven in ruil voor staatssteun. Kerken zouden daarom vooral zelf op de rem moeten gaan staan als zij door de overheid gevraagd worden om tegen betaling maatschappelijk relevant werk uit te voeren.
Natuurlijk gooien de kerken en de religieuze organisaties hiermee een belangrijke bron van inkomsten en maatschappelijke zichtbaarheid weg. Veel religieuze organisaties zijn niet meer in staat zichzelf zelfstandig te onderhouden, en zouden zonder de centen van de gemeente in grote problemen komen. En het eerder genoemde Leger des Heils put veel kracht uit haar alomtegenwoordigheid in de pauperbuurten van Amsterdam. Toch zie ik liever hele kleine kerken en organisaties die – onafhankelijk van iedereen behalve God – kritische vragen stellen aan zichzelf en de overheid. Liever een kleine onafhankelijke luis in de pels van de overheid, dan een grote hond aan diens voeten.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.