Zal de geschiedenis zich herhalen? Jan Peter Balkenende wordt genoemd voor een Europese topfunctie. Ook Ruud Lubbers was ooit in de race. Het werd een drama.
Lezen, bidden en studeren, wilde Ruud Lubbers na zijn afscheid van de Nederlandse politiek. Maar of het van dat sabbatsjaar zou komen, was de vraag. Lubbers’ naam deed de ronde voor het voorzitterschap van de Europese Commissie.
Diens annus horribilis, zijn jaar der verschrikkingen, moest nog komen. Ruim een decennium was Lubbers oppermachtig geweest in Den Haag. In de aanloop van de verkiezingen van 1994 stortte alles in elkaar. De kiezers liepen weg bij het CDA. De door hemzelf aangewezen kroonprins Elco Brinkman kon niet langer bekoren. De minister-president zei dat hij 'maar eens' op de nummer drie van de lijst, Ernst Hirsch Ballin ging stemmen.
Tijdens die maalstroom van gebeurtenissen liet Lubbers de lobby voor zijn kandidatuur voor de Europese Commissie verslonzen. Dat hij binnenslands de regie kwijt was, zorgde voor krassen op zijn imago.
De groeiende irritatie bij Helmut Kohl over zijn Nederlandse collega deed de rest. De Duitse kanselier had hem in de nazomer al eens gepolst over zijn interesse. Een direct antwoord bleef uit. Met het wollige Lubberiaans dat volgde, wellicht een uitvloeisel van onderwijs door jezuïeten, kon Kohl weinig. Ook daarna moest het Kanzleramt lang wachten op echte duidelijkheid.
Wat ook niet hielp was dat Lubbers na de val van de Berlijnse Muur op zijn zachtst gezegd niet had staan applaudisseren voor de plannen voor een Duitse hereniging. Tijdens een diner drong de Nederlandse premier bij de bondskanselier aan op duidelijkheid over de Oder-Neisse-grens. Tegen journalisten uit eigen land liet Lubbers zich zelfs ontvallen dat hij persoonlijk liever twee Duitslanden zag.
Voor Kohl past het in zijn plaatje van Nederland als natie van betweters, van moralisten met een permanent vermanend vingertje: in 1979 werd hij er in een live-tv-uitzending overvallen door een golf van anti-Duitse sentimenten. Na Lubbers’ verzet tegen de Duitse hereniging volgde in 1993 nog eens de actie van het KRO-radioprogramma The Breakfast Club naar aanleiding van een aanslag op Turken in het Duitse Solingen door extreem-rechtse jongeren. 1,2 miljoen met het opschrift ’Ik ben woedend!’ belandden bij de Duitse regering.
Extra ergernis werd opgeroepen door de aanloop naar een besluit over de vestigingsplaats van de Europese Centrale Bank (ECB). Nederland schoof Amsterdam naar voren, Duitsland kandideerde Frankfurt. Lubbers liet weten dat zijn hoofdstad de beste keuze was, maar dat als de buit dan toch naar de oosterburen zou gaan, Bonn de beste plek zou zijn. Duitsland morde. Een adviseur van Kohl liet doorschemeren dat de Nederlandse premier op deze manier zijn kansen voor Brussel vergooide. Voor Lubbers voelde dit als chantage. Hij draaide te lang mee om zich zo te laten behandelen. „Ik ben niet te koop voor een bord linzensoep.”
Pas na de desastreus verlopen verkiezingen (twintig zetels verlies voor het CDA) sprak Lubbers openlijk over Brusselse ambities. Hij had inmiddels concurrentie gekregen van de Belg Jean-Luc Dehaene. Heel sterke concurrentie. Goed voor acht stemmen tijdens een top op het Griekse eiland Korfoe. Lubbbers kreeg er maar drie. Zijn kandidatuur was niet te redden. De Britten, die als enigen voor hun eigen kandidaat hadden gestemd en Lubbers als second best beschouwden, gingen vervolgens voor benoeming van Dehaene liggen. De Luxemburgse minister-president Jacques Santer werd de lachende derde.
Twee jaar later ging het opnieuw mis. Lubbers werd toen geen secretaris-generaal van de Navo, omdat de Amerikanen hem niet op die post wilden hebben. De oud-premier moest zich voorlopig behelpen met baantjes als een deeltijdhoogleraarschap aan de Tilburgse universiteit.
In 2000 volgde alsnog een beloning met een benoeming tot hoogste baas van de UNHCR, de vluchtelingenorganisatie van de Verenigde Naties. Ook dat zou hem uiteindelijk niet goed bekomen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.