*

 

Ik was echt een speeltje voor ze

Perdiep Ramesar − 29/10/09, 00:00

Abdel was 16 jaar toen hij naar Nederland als jongensprostitué werd verhandeld. Zijn verhaal is er een van vluchten en schuilen. Al bijna vier jaar leeft hij in de anonimiteit.

Het eerste dat zijn handelaar aan de 16-jarige Abdel laat zien, is het Haagse Bos. Niet voor een boswandeling, maar voor werk. Niet om te schoffelen, maar voor seks. Seks met mannen die naar een homo-ontmoetingsplek in het grote bos nabij Den Haag Centraal Station komen. De handelaar – die door ’zijn’ mediterrane jongens baas moest worden genoemd – zet met zijn busje Abdel en vier andere Marokkanen af aan de rand van het bos. De ruiten van het busje zijn geblindeerd, zodat niemand naar binnen of buiten kan kijken. Abdel heeft geen idee waar hij is en hoe de stad eruit ziet. Het enige wat hij ziet, is het interieur van het busje en de flat in Den Haag met eveneens geblindeerde ramen. Het Haagse Bos was niet de enige homo-ontmoetingsplek waar de jonge Abdel zou komen.

Die eerste ervaring in dat bos in Den Haag als jongensprostitué is voor Abdel nu inmiddels bijna vier jaar geleden. Tot nu toe leeft hij in de anonimiteit. Eerst als seksknaap voor volwassen mannen die hun genot in het geniep zoeken. Daarna als escortboy voor rijkere oudere heren verspreid over heel Nederland, en nu als illegaal, schuilend voor de autoriteiten. Omdat hij illegaal is, wil hij niet met zijn echte naam en foto in de krant. „Het zijn mijn zeven magere jaren. Nog bijna drie jaar te gaan. Ik hoop dat die gauw voorbijgaan”, zegt de inmiddels 19-jarige Marokkaan in redelijk Nederlands met een Vlaamse tongval, doordat hij sinds een jaar in België verblijft. „Want het leven heeft mij niet gebracht waar ik op hoopte.”

Abdel maakte in 2005 als één van de jongste bootreizigers in zijn groep de oversteek van Marokko naar Spanje. Hij wilde zijn geluk beproeven op het Europese vasteland. „Mijn vader wilde niet dat ik wegging, maar ik was vasthoudend. Hij kon mij niet tegenhouden. Hij zorgde in zijn eentje voor mij en mijn jongere broers en zussen. Mijn moeder stierf jaren geleden. In Marokko had ik geen toekomst. Mijn vader was te arm om de kinderen te laten studeren, terwijl ik dat juist wilde. Ik wilde advocaat worden, pleiten voor rechtvaardigheid. Maar ik werd homohoer.”

Eenmaal in Spanje raakte zijn leven in een stroomversnelling. Het bootje met gelukzoekers werd onderschept door een containerschip met onbekende vracht. De bootvluchtelingen waren blij met de komst van het schip. „Het was in elk geval geen grenspolitie die ons weer terug zou sturen. Ik ken jongens die terugkwamen naar Marokko. Ze werden uitgelachen, omdat ze niet slim genoeg waren om het vasteland te halen. Sommige hadden alles opgegeven voordat ze in het bootje stapten. Al hun geld en bezit waren ze kwijt. Die kwamen berooid terug en moesten straatarm opnieuw beginnen.”

In de meeste containers op het schip zat vracht, maar in één bak zaten ’een stuk of vijftien jongemannen’. „De container was groot, maar we hadden amper bewegingsruimte. Hij was volledig afgesloten. Nadat de bak dicht ging, hoorden we een klap: de container ging op slot. We konden er niet uit. Als er wat was, moesten we door een kiertje van de containerdeur aan een touwtje trekken. Aan dat touwtje zat een belletje dat rinkelde als we eraan trokken. In de hoek van de reiscontainer stond een geïmproviseerde wc. Na een uur begon die te stinken, want als we naar het toilet moesten, konden we zolang als we wilden aan het touwtje trekken, effect had het niet. Daarvoor hadden we een ronde vuilnisbak met een gat erin en een grotere bak eronder om de uitwerpselen van de reizigers op te vangen.”

De menselijke vracht werd uitgeladen in Frankrijk, waar de reizigers werden opgehaald in autobussen voor de reis naar het noorden. In Abdels geval naar Nederland. Het busje van Abdel had een Nederlandse kentekenplaat en de ramen waren geblindeerd. Hij werd naar België gebracht waar hij moest overstappen in een ander busje, eveneens geblindeerd. Zijn paspoort had Abdel al lang niet meer, dat was op het vrachtschip afgenomen. Zijn papieren ziet hij nooit meer terug. Het geld dat hij van zijn vader mee kreeg, is ook weg. Een deel moest hij betalen op het schip, een deel voor de trip naar België en de rest aan de chauffeur die hem naar Nederland bracht.

De bestuurder van het laatste busje zou Abdel dagelijks een paar keer zien. Dat is de man die hem en zijn medeslachtoffers van en naar de klanten bracht: naar de ’homobosjes’ en naar de escortklanten. De Marokkaan spreekt vloeiend Frans, redt zich in het Engels en leert Nederlands. „Ik oefende met de andere jongens de talen. Dat lukte best goed met onze basiskennis van de middelbare school.”

Abdel verdiende weinig. In het bos werkte hij klanten af voor een paar tientjes per keer, waar hij maar vijf euro per keer van mocht houden. In de escortservice waarnaar hij via dezelfde mensenhandelaars promoveerde ’omdat hij lekker en goed was’, verdiende hij 25 euro per keer. Terwijl zijn pooier 175 euro nam. Dat hij toen nog minderjarig was, dreef de prijs juist op. „Daar houden die mannen van. Een jonge jongen waar ze alles mee konden doen. Ik was echt een speeltje voor ze.” Seks moest van zijn baas met condoom, want aan zieke jongens had hij niets. Maar dat gebeurde niet altijd. „In het bos of op parkeerplaatsen langs de snelweg gebruikten we wel condooms, maar bij klanten thuis was dat niet altijd eenvoudig. Veel klanten betaalden extra voor onveilige seks, en daar ging het op dat moment alleen om: geld.”

Vluchten was bijna onmogelijk. Abdel vertelt dat op de homo-ontmoetingsplekken altijd meer ’bewakers’ mee waren. Bij de escort stond de chauffeur altijd met zijn auto vlak voor de deur van de klant. Bovendien durfde Abdel niet te vluchten. „Ze zeiden tegen mij dat als ik weg zou gaan, ze mijn arme oude vader in Marokko zouden vertellen wat voor werk ik hier doe. Dat wilde ik niet, mijn pa zou sterven van verdriet en schaamte. Als dat zou gebeuren, wat moesten mijn broertjes en zusjes dan? Nee, het was te gevaarlijk voor mij en mijn familie. Ik bleef maar werken. Telkens weer naar die klanten die ik intens haatte.”

Maar uiteindelijk was het een klant die Abdel hielp vluchten voor zijn mensenhandelaar. „Ik ging als escort naar een vaste klant. De enige klant aan wie ik over mijn privéleven had verteld. Hij had het met me te doen en bedacht een plan. De chauffeur kon niet vlak voor het huis parkeren en moest verderop staan. Dat gaf mij de gelegenheid om via de achterdeur en de tuin weg te gaan. De klant bracht mij met zijn auto die elders stond naar een politiebureau in het kleine plaatsje in Twente waar hij woonde. Hoe de chauffeur reageerde weet ik niet, want die heb ik daarna nooit meer gezien.”

De lokale politiefunctionaris wist niet wat zij met Abdel aan moest. Omdat hij geen identiteitspapieren kon overleggen, meldde zij hem bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Omdat Abdel zijn ware identiteit niet kon bewijzen, werd hij als illegaal bestempeld en moest hij het land worden uitgezet. „Gelukkig had de klant die mij redde een advocaat geregeld die bezwaar maakte tegen die beslissing en zorgde dat ik hulpverlening kreeg. Omdat de zaak nog in beroep was kon ik bij een opvang van de hulpverlening terecht.”

Maar zijn situatie bleek uitzichtloos. De IND was onwrikbaar en Abdel zag geen andere uitweg dan te vluchten. Hij vertrok naar België en heeft af en toe contact met enkele hulpverleners die hem niet kunnen helpen. Abdel pendelt tussen Antwerpen en Den Haag. Hij heeft onderdak bij vrienden. Maar ook zij zien geen uitweg meer voor Abdel. Niemand kan hem nog helpen. De daders zijn nooit gepakt en Abdel moet vluchten.

mailIcon print |