Niet eerder was ik zo diep in de afvoerput van de samenleving afgedaald. Het licht was grauw, als door een ingevet stuk pakpapier gefilterd. De straten lagen bezaaid met afval en afgekloven dierenbotjes. Op iedere straathoek stonden schimmige silhouetten. Ik had enorm veel spijt dat ik onze steriele maar geordende bovenwereld voor even had durven verlaten. Maar sterker dan het berouw was deze kloppende behoefte die de bodem van mijn maag beroerde. De drift om ’te scoren’, na zoveel weken abstinentie, was ongekend. Vlak achter mij hoorde ik een sissend geluid: ’psst, psst’. Ik draaide me om en zag de dealer staan. Zijn gezicht was door de bontkraag van zijn te ruime capuchon verborgen. „Hoeveel?”, fluisterde de man. „Honderdvijftig gram”, antwoordde ik op dezelfde fluistertoon. Hij stapte drie meter achteruit, zakte door zijn knieën en lichtte een straattegel op. Daaronder lag een ingedeukte trommel. De dealer haalde een pakje uit het blik en stak dat in de lucht: „Honderdtwintig gram, geen vette randen, 75 euro.” Ik griste het pakketje uit zijn hand en gaf hem wat verfrommelde geldbriefjes. Het krantenpapier waarmee het spul was ingepakt, was door bruine natte vlekken aangevreten. „En nog sappig ook”, grinnikte de man. Ik stak het pakketje in mijn jaszak en nam de benen. Twee straten verderop werd ik bruusk tot stilstand gedwongen: een man en een vrouw in het uniform van de Quorn-politie, met tussen hen in een kwijlende dobermann. „Halt, stop, handen uit uw zaken, preventief fouilleren op illegale vezels!” Het zweet gutste ogenblikkelijk langs mijn rug. In mijn jaszak voelde ik die vervloekte 120 gram, die nu een halve ton leek te wegen. Ik probeerde te glimlachen: „Rustig, ik ben maar een nette burger, een vegaburger zelfs die toevallig in deze buurt een ommetje wilde maken.” Uit mijn binnenzak haalde ik mijn doorgangsbewijs voor B-buurten. „Carnivoor?”, vroeg de Quorn-officier. „Nee, zeker niet”, antwoordde ik paniekerig. Ik heb mijn laatste konijnenbout meer dan acht jaar geleden gegeten. En ik werd er toen zelfs misselijk van.” De Quorn-officier stak zijn hand naar mij uit. „Is uw Vleeswijzer onlangs formeel geüpdatet?” Ik haalde het pasje uit mijn portefeuille. „Jazeker, kijkt u zelf maar. Ratatouille staat er nu ook op, en courgettes met tofu in Valess-saus ook.” En terwijl de Quorn-officier van het antivleeskorps mijn V-Wijzer controleerde, herkende ik hem plotseling. Dolf Jansen! En dat vrouwtje naast hem was natuurlijk Georgina Verbaan! Die twee hadden zich in het jaar 2009 meer dan verdienstelijk gemaakt voor de toen nog beginnende Vleeswijzer. Georgina was zelfs beroemd geworden door haar uitspraak dat ze vleeseters altijd herkende aan hun gezicht, ’dat vaak op een homp vlees was gaan lijken’. Maar na al die treurige jaren van vleesgebrek had haar eigen tuinkaboutergezicht nu veel weg van een vertrapte touwslipper. Ik wilde mijn pasje terugpakken, maar op dat moment sprong de dobermann tegen me aan. En door mijn jaszak heen stak hij zijn tanden in het sappige biefstukje van 120 gram. Op dat moment werd ik badend in het zweet wakker. Het was nog maar vijf uur in de ochtend en mijn mond was droog.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.