Sociologe Jolande Withuis schetst de zegetocht die het trauma de afgelopen decennia door onze samenleving maakte. Ooit gold aandacht voor mentale klachten als schadelijke verwennerij. Tegenwoordig is het vreemd als je géén slachtofferhulp blieft. Hoe kon het klimaat zo omslaan?
Komend jaar viert de posttraumatische stress-stoornis (PTSS) zijn dertigste verjaardag. In 1980 werd de post-traumatic stress disorder opgenomen in de DSM, het officiële classificatiesysteem van psychiatrische aandoeningen. Voor de meeste psychiaters en psychotherapeuten behoort sindsdien het begrip trauma tot de professionele basiskennis. Voor gewone Nederlanders werd ’trauma’ een gangbaar begrip.
Dat is een snelle ontwikkeling geweest. Nog niet zo lang geleden sloeg de term alleen op fysieke verwondingen. Hoe is het tot die snelle verbreiding van deze nieuwe betekenis gekomen en wat zegt dat over onze samenleving?
Want het gaat bij trauma om meer dan een modieus woordje. ’Trauma’ is steno voor een manier van leven en denken – voor hoe wij menen te moeten omgaan met negatieve ervaringen.
Om te begrijpen wat het succes van het begrip trauma onthult over onze kijk op mensen is het verhelderend de voorgeschiedenis na te lopen en te analyseren voor welke dilemma’s PTSS een oplossing bood.
In de aanloop tot de acceptatie in het classificatiesysteem speelden drie sociaal-medische problemen een hoofdrol. Daar was ten eerste de specifiek Amerikaanse kwestie van de teruggekeerde Vietnamsoldaten, die nogal vaak verslaafd waren aan drank, drugs, geweld en bijstand.
Dan waren er de feministische onthullingen omtrent de psychische schade na verkrachting en incest. De derde factor was het toenemend aantal patiënten dat in de VS en West-Europa nog bleek te lijden onder de zogenaamde ’late gevolgen’, late sequelae, van de Tweede Wereldoorlog. Vooral kampoverlevenden meldden een breed spectrum aan klachten, dat indertijd werd samengevat onder het etiket KZ- of concentratiekampsyndroom.
In Nederland deed speciaal de oorlog het besef groeien dat belevenissen een lange schaduw kunnen hebben. De heroplevende belangstelling voor de periode ’40-’45 en de nieuwe figuur van het psychisch lijdende oorlogsslachtoffer plaveiden midden jaren zeventig de weg voor de snelle acceptatie van het idee trauma. In kranten van die dagen is te lezen wat voor enorme ontdekking het toen was dat er nog steeds mensen waren die alle dagen aan de oorlog dachten. Die nachtmerries hadden, angstig werden in de trein of in paniek raakten van een woordje Duits. Het behoeft geen betoog hoe belangrijk de erkenning van het KZ-syndroom is geweest voor de patiënten, en hoe moeilijk het voordien voor hen was om hun eigen klachten te begrijpen en om door anderen begrepen te worden.
Een sleutelmoment in deze ontwikkeling was het Kamerdebat rond de Drie van Breda in 1972, toen minister van justitie Van Agt de drie laatste nog vastzittende Duitse oorlogsmisdadigers wilde vrijlaten. Dat riep onverwacht grote tegenstand op. Op een hoorzitting, die rechtstreeks werd uitgezonden, legden organisaties van verzetsmensen en Joodse overlevenden de Kamerleden uit waarom zij tegen vrijlating waren. Hun verhalen over hun verziekte gezondheid werden ondersteund door de Leidse hoogleraar psychiatrie Jan Bastiaans. De grote man van het KZ-syndroom was tot dan toe vóór vrijlating geweest, maar verklaarde nu dat dit wellicht tot zelfmoorden en in elk geval tot een toename van klachten zou leiden. Het maakte diepe indruk. Publieke en politieke opinie sloegen om.
Nog maar drie jaar tevoren hadden de Bureaus voor de Geestelijke Volksgezondheid vóór vrijlating gepleit, omdat vasthouden patiënten zou fixeren in wrok en haat. Een dergelijke visie was nu passé. Hadden behandelaars in 1969 nog de houding: ’Wij weten het beter’, in de jaren zeventig won de overtuiging veld dat de patiënt zelf het beste wist wat er aan schortte.
Die mentale omslag gold niet alleen de psychiatrie maar ook bijvoorbeeld het onderwijs, waar studenten inspraak eisten in de examenstof. Het waren de jaren van democratisering en nivellering, van ontzuiling, secularisatie en emancipatie van de emotie. Geloven in God werd vervangen door geloven in Gevoel. Mensen werden zachtaardiger in hun oordeel over zichzelf en anderen, en het stigma op psychische klachten nam af. In plaats van zwijgen werd nu spreken goud. Je uiten was voortaan wenselijk, ook over pijnlijke zaken. Deze ontwikkelingen waren in Nederland extra succesvol doordat ook de elite ze omarmde.
Dat de Nederlandse ontdekking van het oorlogstrauma nauw samenhing met de culturele veranderingen van de jaren zestig en zeventig, verklaart waarom die late gevolgen juist tóen doorbraken, een kwarteeuw na de bevrijding. Terwijl de populatie van potentiële aanvragers snel afnam, explodeerde tussen 1970 en 1980 het aantal aanvragen voor een verzetspensioen.
Een tweede fundamentele mentale omslag – naast de toenemende macht van de clientèle – betrof de oorzaken van psychisch lijden. Terwijl in 1945 de overtuiging heerste dat iemands gezondheid zou verslechteren als er aan zijn klachten te veel aandacht werd besteed, had in 1975 de mening post gevat dat gezondheidsproblemen juist voortkwamen uit een gebrek aan aandacht.
Het idee dat aandacht en uitkeringen de patiënt chronisch ziek zouden maken of houden, was anno 1945 niet uit de lucht komen vallen. Het feit dat mensen soms ziek blijven, ook als hun fysieke verwondingen zijn genezen, was al decennia onderwerp van psychiatrisch debat. Dat debat over de zogenaamde ’traumatische neurose’ had zich toegespitst op twee punten. In vakjargon: ’ziektewinst’ en ’premorbiditeit’.
’Ziektewinst’ betreft het invaliderende effect dat het kan hebben als je mensen als zieke behandelt en van hun dagelijkse verplichtingen ontslaat. Na de uit de hand gelopen kosten voor de shellshock-patiënten uit de Eerste Wereldoorlog waren landen als Engeland, Duitsland, Frankrijk, Italië en Oostenrijk rond 1940 beducht voor een nieuw cohort patiënten met chronische psychische of psychogene kwalen. In 1945 stelde de West-Europese psychiatrie simpelweg dat waar geen organische aandoening is, ook geen sprake was van ziekte. Overheden en psychiatrie vonden elkaar in een beperkte definitie van oorlogsinvaliditeit die psychische gevolgen uitsloot.
In Nederland was die streng somatische opvatting minder dominant. Hier werd aandacht voor niet duidelijk fysieke klachten als schadelijke verwennerij beschouwd vanuit, een ascetisch soort calvinisme.
De herstellingsoorden voor ex-verzetsmensen sloten rond 1950 hun deuren. Oorlogstrauma’s kwamen in de jaren vijftig en zestig dan ook nauwelijks voor. Natuurlijk hadden oorlogsslachtoffers ook toen wel klachten. Maar die zagen zijzelf en hun behandelaars meer als karaktertrekken waarmee je moest leven dan als medische problemen die je moest behandelen. Anders dan in Frankrijk en Denemarken déélde het voormalig verzet in Nederland de visie van dokters en dominees dat aandacht voor klachten zou leiden tot chroniciteit.
Het tweede begrip, ’premorbiditeit’, verwijst naar de invloed die de geestelijke gezondheid van de patiënt vóór zijn traumatische ervaring heeft op latere traumatisering. Artsen anno 1945 betwijfelden of iemand ziek kon blijven louter ten gevolge van psychische druk, zoals schrik of angst. Als de patiënt organisch niet beschadigd was, moest je dan niet aannemen dat hij altijd al labiel was geweest? Biologisch georiënteerde zenuwartsen verklaarden zo’n kwetsbaarheid uit constitutionele aanleg, psychoanalytici uit emotionele conflicten in de vroege jeugd, maar géén van beide stromingen achtte het mogelijk dat een stabiele volwassene door oorlogservaringen blijvend uit evenwicht kon raken.
De kwesties ziektewinst en premorbiditeit waren niet louter academisch. Ze speelden een rol bij keuringen. Voor een oorlogsuitkering moest de kwaal zijn veroorzaakt door de oorlog. Om die causaliteit vast te stellen, moesten ziektewinst en premorbiditeit worden uitgesloten. Want in het geval van ziektewinst kwam de ziekte niet door de oorlog maar door de behandeling, en in het geval van premorbiditeit had de oorlog een reeds bestaande zwakte geactiveerd. Het was de taak van de keuringsartsen om een causaal verband te bewijzen, maar die achtten een eenduidig oorzakelijk verband zelden aanwezig. Wel bij geamputeerde benen, tbc en hongeroedeem, maar niet bij concentratiestoornissen, vermoeidheid, gebrek aan vitaliteit, zweten, hartkloppingen, nachtmerries, slaapstoornissen en wat dies meer zij. Zeker bij oorlogservaringen van jaren terug was het veelal speculatie om die als oorzaak aan te wijzen.
In de beroepszaken tegen de beslissingen van keuringsartsen van de Duitse Wiedergutmachung zijn de schokkende harteloosheid en arrogantie te zien waarmee Joodse overlevenden rond 1960 geconfronteerd werden.
Een voorbeeld. Een vrouw is depressief. Ze voelt zich eenzaam en wijt dat aan haar kinderloosheid. Haar onvruchtbaarheid is veroorzaakt door medische proeven in het kamp. Na jaren procederen krijgt ze een uitkering. Met terugwerkende kracht. Maar slechts tot haar vijftigste. Daarna zou ze immers toch onvruchtbaar zijn geworden.
Het begrip causaliteit kon dus heel naargeestig worden ingezet.
In Nederland veranderde die praktijk radicaal, zodanig zelfs dat luttele decennia later de omgekeerde houding overheerste en mensen haast volautomatisch oorlogsziek werden verklaard. Hoe kon die kijk op ziekte zo omslaan?
In de jaren zestig protesteerden verzetsorganisaties tegen de gang van zaken bij de keuringen voor verzetspensioenen. Zowel patiënten als artsen wilden af van de eis van causaliteit. Stel dat iemand een hartinfarct krijgt. Hij rookt een pakje per dag, heeft ernstig overgewicht en wandelt nooit verder dan naar de auto. Kwam zijn infarct dan door de oorlog? Zeggen van niet, was voor de dokter een onprettige taak, met voor de aanvrager nadelige gevolgen. En bovendien, wat als de patiënt zijn destructieve levensstijl wijt aan zijn oorlogservaringen?
Naarmate het professioneel gezag afkalfde, de gelijkheid tussen arts en patiënt groeide en het besef van late psychische gevolgen doordrong, werd het voor artsen moeilijker om tegen zulke claims bestand te zijn. Voor de verzetsorganisaties werden ’premorbiditeit’ en ’ziektewinst’ steeds heviger stenen des aanstoots. Zij ervoeren het als beledigend als een arts opperde dat klachten niet door de oorlog maar door drank of een moeizaam huwelijk kwamen. Zij ervoeren het als beledigend als werd geïnformeerd naar geestesziekte of verslaving in de familie of naar de gezondheid voor de oorlog. Zij ervoeren het als beledigend als de dokter betwijfelde of niet-werken het herstel zou bevorderen.
Patiënten én samenleving vatten dergelijke vragen in toenemende mate op als een ontkenning van de ernst van iemands oorlogservaringen. Alsof niet ziek verklaard gelijk stond aan: niets ergs meegemaakt. Zo’n ontkenning wilde niemand na een kwarteeuw miskenning op zijn geweten hebben. Had de patiënt soms om zijn klachten gevraagd? Was hij een profiteur soms? Nou dan.
De wet werd veranderd. Voor een uitkering behoefde het causaal verband tussen ziekte en oorlogservaring niet langer te worden bewezen. Premorbiditeit en ziektewinst waren voortaan taboe.
Wat deze reconstructie laat zien, is dat de erkenning van het KZ-syndroom en de afschaffing van de eis van causaliteit geen medisch-psychologische beslissingen waren maar sociaal-politieke. Zoals Amerika in 1980 een oplossing zocht voor zijn Vietnamveteranen, zo wilde Nederland rond 1970 zijn oorlogsslachtoffers tegemoetkomen. Waarom zou je mensen die al zoveel hadden moeten doorstaan nog eens het leven zuur maken met procedures en keuringen? Dit was een generatie die zich nog schaamde voor zijn klachten en bovendien al ongeveer pensioengerechtigd was. Zij wilden de geruststelling dat ze geen gewone gekken waren, en evenmin aanstellers, maar dat ze leden aan een echte ziekte die niet in henzelf huisde maar was veroorzaakt door de oorlog. Dát was eervol. Dát bood respect en behoud van zelfrespect.
Er waren dus rond 1970 zeker redenen voor de afschaffing van de causaliteit, maar medisch waren die niet. Het was politiek en sociaal beleid, verhuld in een witte jas.
Helaas werden KZ-syndroom en PTSS door behandelaars met hun volle gezag wel gepresenteerd als een medische ontdekking. En zo vatten politiek, publiek, media, volgende generaties en slachtoffers-van-heel-wat-geringere tegenslag het ook op: als een nieuwe medische waarheid.
Je kunt de ontwikkelingen ook analyseren vanuit de intenties van hulpverleners en overheid. Die waren positief. Zij wilden de eerdere verwaarlozing van oorlogsslachtoffers goedmaken. Maar bij een behoefte aan goedmaken behoren bij hulpverleners alarmbellen te gaan rinkelen. Want soms gaat achter de behoefte goed te doen de behoefte schuil om eigen goedheid te bewijzen. Die werd in dit geval bevredigd door oorlogsslachtoffers en masse ziek te verklaren. Inclusief mensen die niet ziek waren maar medeleven zochten voor wat ze hadden doorstaan of eerbewijzen voor wat ze hadden gedaan.
Het dit voorjaar verschenen proefschrift van psycholoog Bram Enning (’De oorlog van Bastiaans. De LSD-behandeling van het KZ-syndroom’) toont op welk wetenschappelijk drijfzand het werk van de pionier van het KZ-syndroom was gebaseerd. Ennings nauwgezet onderzoek bewijst dat veel van de verschrikkelijke oorlogsherinneringen die patiënten onder geleide van Bastiaans’ suggesties in lange martelende sessies uit hun geheugen opdiepten, geen historische werkelijkheid vertegenwoordigden. Toch werd volgehouden dat hun genezing berustte op dit naar boven halen van verdrongen gruwelervaringen. Bastiaans’ cause célèbre, Eibert Meester, aan wie zelfs een boek werd gewijd, werd indertijd al ontmaskerd. Dat zijn verzetsverleden verzonnen bleek, had geen consequenties voor behandelaar en methode.
Enning legt een gemis aan kritische zin bloot van samenleving, overheid en collega’s jegens Bastiaans, en in diens voetspoor een gemis aan kritische zin jegens patiënten. Bastiaans’ houding leek solidair maar was respectloos. Hoewel hij niet naliet verzetsmensen te prijzen als helden, en zij hem vice versa als redder zagen, werden zijn patiënten gereduceerd tot zielige stumperds die je niet tegenspreekt en die je, als het om hun gezondheid gaat, wat op de mouw mag spelden.
De omgang na 1970 met de lijders aan een oorlogstrauma was de uitkomst van een fatale collusie. Het vleit de patiënt als de dokter zegt dat zijn stoornis door de oorlog komt. Het vleit de dokter als de patiënt dankbaar is dat eindelijk iemand hem begrijpt. De geconstateerde kwaal bewijst het oorlogsheldendom of oorlogslijden van de patiënt en slechts een speciale dokter met een speciale gevoeligheid kan dit speciale leed begrijpen.
De erkenning van PTSS in 1980 impliceerde identieke beslissingen als de erkenning van het KZ-syndroom zo’n tien jaar eerder.
Vóór PTSS luidde de sleutelvraag: kan een geestelijk gezonde volwassene door de psychische druk van louter externe oorzaken blijvend beschadigd raken? Na erkenning van PTSS luidde het klip en klaar: ja, een abnormale ervaring kan een normaal persoon blijvend beschadigen.
Je hoeft geen kneusje te zijn om onder extreme druk te breken. Van die latere schade, zo stelt de DSM nadrukkelijk, is het trauma de exclusieve oorzaak.
Exit verder onderzoek. Het schrappen van de causaliteitsvraag betekende wetenschappelijke verarming. Nuttige medische kennis ging verloren, belangrijke onderzoeksvragen raakten geblokkeerd. De hamvraag bleef onbeantwoord: hoe gaat dat eigenlijk, traumatisering? Waarom herstelt de een wel en de ander niet? Relevante verschillen verdwenen uit zicht. Niet alleen verschillen zoals tussen Auschwitz en een auto-ongeluk en tussen daders en slachtoffers, maar ook het wezenlijke verschil tussen verzetsmensen die waren gepakt om wat ze deden, en Joden die waren vervolgd om wat ze waren. Voortaan viel iedereen onder de ambtelijke eenheidsnoemer ’oorlogsgetroffene’.
Met de afschaffing van premorbiditeit, ziektewinst en causaliteit was bovendien het hek van de dam. Oorlogsslachtoffers werden ons nationale model van psychisch leed als levenslange identiteit. Trauma was niet langer iets wat je hebt maar wat je bent. „Als je iets ergs meemaakt, kun je daar altijd ziek van blijven”, luidde de nieuwe wijsheid.
Dat sloeg aan. Eerst meldden zich nieuwe categorieën ’oorlogsslachtoffers’, daarna volgde de stroom van buiten het oorlogscircuit. Het bleek lastig om te definiëren wat voor ervaringen nu eigenlijk tellen als trauma. De American Psychiatric Association worstelt nu al dertig jaar met de ongewenste expansie.
Zo kon het gebeuren dat de psychiater van GroenLinks-parlementariër Tara Singh Varma haar web van fraude en leugens betitelde als een PTSS ten gevolge van ’racistische’ bejegening. Dat landbouwkundigen de financiële schade na de MKZ-crisis tot trauma verklaarden. Dat een advocaat schadevergoeding eiste voor een mevrouw die geen lot had gekocht in de Postcodeloterij en het niet kon verdragen dat haar buren nu rijk waren; en dat mensen smartegeld claimden die op YouTube filmpjes van de laatste Koninginnedag bekeken. Ook omgekeerde uitwassen doen zich voor. Dit voorjaar werd omwonenden van Schiphol na het ongeluk met het Turkse vliegtuig, slachtofferhulp opgedrongen waaraan zij niet de minste behoefte hadden. Er was hun namelijk niets overkomen.
Of het nodig is of niet, wij worden ’opgevangen’.
Tien jaar geleden muntte de socioloog J.A.A. van Doorn de term ’slachtofferitis’ om de vinger te leggen op ons nationale verlangen om anderen zielig te noemen en zelf zielig te heten. Die behoefte aan zieligte springt in het oog rond de AOW. In plaats van een heldere beslissing tot verhoging van de AOW-leeftijd op grond van demografische noodzaak, worden uitzonderingsbepalingen ingebouwd op grond van zieligheid. Nu al valt te voorspellen dat wanneer die wet eindelijk ingaat, massa’s mensen, individueel en groepsgewijs, gesteund door vakbonden, letseladvocaten en therapeuten, in eindeloze beroepsprocedures zullen claimen dat ook hun werk ’zwaar’ is. Twee weken geleden al poneerden onderzoekers van TNO dat ook psychisch zwaar werk moet tellen. En wie zou het tegenspreken? Of werk zwaar is, is net zo subjectief als wat traumatisch is.
De banalisering van trauma heeft de samenleving besmet met quasiwetenschappelijke ideeën over de juiste omgang met tegenslag. Op Jan B. volgde Mohammed B. De riskante collusie die ik hiervoor schetste, waarbij het op korte termijn een win-winsituatie oplevert als de ene partij de andere ziek of zielig verklaart – die dynamiek kunnen we rechtstreeks overplanten naar het falen van de integratie.
Ooit vertelde een rancuneuze, mislukte Marokkaanse jongen op tv dat hij maar één Nederlander dankbaar was. Dat was de Amsterdamse leraar die hem had voorgehouden: „Jij zult hier als Marokkaan je leven lang worden gediscrimineerd.” Mij dunkt dat deze leraar zowel zijn leerling als de samenleving ernstige schade berokkende. Zijn woorden gaven die jongen een alibi om geen enkele moeite meer te doen, en ontnamen hem de hoop op een betere toekomst door in zichzelf te investeren. Maar wat zal de man zichzelf goed hebben gevonden. De overeenkomst met Bastiaans springt in het oog: de leraar trakteerde zichzelf op het vleiende zelfbeeld dat hij meer dan anderen solidair was met zijn leerling.
En hij is helaas de enige niet die zijn solidariteit met allochtone jongeren zo’n misplaatste inhoud gaf. De autochtone behoefte anderen tot onderdrukt te verklaren heeft allochtonen op extra achterstand gezet. Eerst werd hun met de heiligverklaring van ’eigen taal en cultuur’ het recht op Nederlands leren ontzegd. En pas nog, in een herdenkingsprogramma van de moord op Theo van Gogh, verklaarde burgemeester Cohen dat het risico op zo’n fundamentalistische moord was afgenomen, omdat Amsterdam nog alerter is op discriminatie van allochtonen. Een bizarre omkering. Alsof Van Gogh Mohammed B. met een kapmes te lijf ging.
Het traumadenken verwaarloost – of ontkent zelfs – het verband tussen de persoon van de zieke en zijn ziekte door de oorzaak van traumatisering puur bij de externe stressor te leggen. Net zo verandert het toverstokje van burgemeester Cohen de dader in een slachtoffer. Het kwaad komt altijd van buiten; aan eigenschappen van het slachtoffer ligt het nooit. Volgens dit denkstramien móét een moordenaar wel gediscrimineerd zijn, waarom zou hij anders moorden? Aangezien vrij veel vrouwen, ouderen en gehandicapten worden gediscrimineerd, mogen we wel blij zijn dat er niet alle dagen kelen worden doorgesneden.
Sinds dertig jaar geleden PTSS werd erkend, groeiden twee generaties op in een klimaat waarin het woord trauma – dat ooit stond voor uiterste onbespreekbaarheid – werd gebanaliseerd en tegenslag gedramatiseerd. Zij zagen op tv dat mensen niet worden aangesproken op hun verantwoordelijkheid, kracht of falen maar louter als slachtoffers. „Dat was zeker heel erg”, vraagt de reporter gretig, en met theatraal geuite emoties wordt daarop uit de doeken gedaan hoe erg het inderdaad was.
Allochtone kinderen werden volwassen in een klimaat waarin er tamelijk algemeen van werd uitgegaan dat zijzelf of hun ouders kritiek of debat niet verdragen. Zij werden voorgesteld als mensen die snel gekwetst zijn en bij wie een kwetsing zo hard aankomt dat het slachtoffer voor de gevolgen niet kan instaan. Omgekeerd wordt de slachtofferstatus geclaimd en misbruikt. „Als je zo’n harde toon aanslaat, logisch dat mensen dan radicaliseren”, luidt van beide zijden het dogma. Maar waarom zou dat logisch zijn? Kan iemand die causaliteit eens bewijzen?
En er zijn nog meer averechtse effecten aan te wijzen van het gepopulariseerde traumadenken.
Ten eerste dat trauma kan dienen om iemand monddood te maken. Je moet wel stevig in je schoenen staan als tegenstanders in een tv-debat aanvoeren dat we jou niet serieus hoeven nemen omdat jij nu eenmaal door een clitoridectomie bent getraumatiseerd. Het overkwam Ayaan Hirsi Ali.
Ten tweede dat de zelfgenoegzame Nederlandse slachtoffervriendelijkheid verdwijnt als sneeuw voor de zon als het slachtoffer haar lot in eigen hand neemt en een andere analyse hanteert dan haar zelfbenoemde redders. Nederland weet zó zeker dat vluchtelingen geen kritiek kunnen velen op de cultuur die ze zijn ontvlucht dat we diegenen die hun achtergrond wel als onderdrukkend aan de kaak stellen, keihard laten vallen. Het overkwam Ayaan Hirsi Ali.
Een derde schadelijk effect is de medicalisering van politieke issues. Zo werd de wenselijkheid van een Slavernijmonument enkele jaren terug niet beargumenteerd met een humanitaire afkeuring van mensenhandel, maar met de modderige redenering dat geweld, drugsgebruik, gebrek aan verantwoordelijkheid, werkweigering en promiscuïteit van Surinaamse vaders in de Bijlmer het gevolg zijn van hun via vele generaties overgeërfde traumatisering door de slavernij.
Door de proliferatie van het PTSS-denken zijn de regels van de therapeutische situatie binnengedrongen in het politiek en maatschappelijk debat. Zodoende wordt de ernst van leed niet meer vergeleken of gerelativeerd – terwijl dat in het openbaar debat, de geschiedschrijving en de politiek juist wel zou moeten.
Ik bepleit met mijn kritiek geen terugkeer naar de kortzichtige ontkenning van psychische kwalen. Evenmin koester ik, zoals de veel geciteerde Frank Furedi, ook maar de minste nostalgie naar de oud-linkse overdekking van ongelukkigheid met ronkende strijdbaarheid. Integendeel. De toegenomen compassie met psychisch leed is winst en dat mensen getraumatiseerd kunnen raken lijdt geen twijfel.
In de therapiepraktijk keert inmiddels de wal het schip. Factoren die in 1980 buiten de orde waren verklaard, zoals de voorgeschiedenis van de patiënt, zijn weer in beeld. Het concept PTSS wordt verfijnd en gedifferentieerd. De aandacht voor menselijke veerkracht, nu modieus resilience genoemd, groeit. En langzaam daagt ook weer het besef dat werk en structuur het herstel vaak meer bevorderen dan een uitkering.
Helaas is in de samenleving de geest nog lang niet terug in de fles.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.