De vader van Tamarah Benima sprak twee jaar lang niet met zijn dochter. Het was in de jaren zeventig, Tamarah woonde in Berlijn. In het Nieuw Israelietisch Weekblad (NIW) beschrijft Benima de reden voor het zwijgen van haar vader: „Als ze daar blijft, wordt ze verliefd. Misschien wil ze dan trouwen. En dan zit ik aan het trouwdiner en denk: wie van deze mensen heeft mijn ouders vermoord?”
Benima moet aan haar vader denken nu vorige week in München de rechtszaak werd gevoerd tegen John Demjanjuk, die ervan wordt beschuldigd bewaker te zijn geweest in het Poolse vernietigingskamp Sobibor. Had vader Benima nog geleefd, dan zou hij zeker medeaanklager in het proces zijn geweest. „Mijn vader zou in München zijn geweest, om te spreken voor zijn vermoorde ouders. Ik ben trots op de andere mede-aanklagers.”
Het NIW heeft verslaggever Yehudith Heymans, die zelf familie verloor in Sobibor, naar München afgevaardigd. De rechtszaak tegen Demjanjuk is volgens Heymans een ongeorganiseerd circus. Degenen die het proces willen bijwonen staan op de eerste dag al voor dag en dauw voor de deur van de rechtbank. Veel later dan toegezegd gaan de deuren open, waarna er een geduw en gedrang volgt om binnen te komen. En als de zaak dan eenmaal begint, schrijft Heymans, „worden we getrakteerd op een klucht. Drie doktoren hebben onder ede schriftelijk bevestigd dat Demjanjuk fit genoeg is om voor de rechter te verschijnen. Maar de man hoeft maar te kreunen of met zijn hand te wuiven en alles stopt. Het doet clownesk aan: die man met pet op, die met de kleinste wuiving van zijn hand de rechtszaak naar zijn hand zet.”
Rabbijn Menno ten Brink heeft de zaak tegen Demjanjuk ook gevolgd. In een overdenking in het NIW wijst hij op het verhaal van de broers Jakob (Ja’akov) en Esau (Esav). Jakob is wars van geweld, waar Esau heetgebakerd is en alles met zijn vuisten oplost. Zo bezien, schrijft Ten Brink, staat Esau model voor het slechte in de mens. En de rabbijn kan het zich verbeelden, maar in de confrontatie tussen Demajanjuk en de vertegenwoordigers van de slachtoffers van Sobibor ziet hij eenzelfde ontmoeting van kwaad en goed als bij Esau en Jakob. „Er is enorme moed voor nodig om deze confrontatie aan te gaan. Moreel en ethisch zijn de mensen die in München waren en de confrontatie zijn aangegaan de sterksten.”
„Als kerken mogen wij niet werkeloos toezien als mensen in de verdrukking raken”, schrijft Peter Verhoeff, synodevoorzitter van de Protestantse Kerk in Nederland, in Christelijk Weekblad. Dat moet hem van het hart na een werkbezoek aan de Groningse stichting Inlia, die opkomt voor asielzoekers. Verhoeff bezocht een noodopvang die hij ’ten hemelschreiend’ noemt. „Een volkomen afgeleefd prefab hotel waar 110 mensen op elkaar gestapeld wonen en wc, keuken en douche delen. Je eigen ruimte is een hok van twee bij twee meter.”
Die leefomstandigheden, benadrukt Verhoeff, worden niet veroorzaakt doordat de asielzoekers alleen maar op illegale wijze geholpen zouden kunnen worden. „Integendeel, men werkt zoveel als kan met de overheid samen. Ik kreeg de indruk dat de directeur vaker bij de staatssecretaris zit dan bij zijn eigen vrouw.”
Nu wil Verhoeff niet direct politieke uitspraken doen, maar een bijbeltekst kan de dominee met een gerust hart aanvoeren. Zei Jezus niet: ’alles wat jullie hebben gedaan voor een van de onaanzienlijksten van mijn broeders en zusters, dat hebben jullie voor mij gedaan’? De mensen van Inlia zeiden tegen Verhoeff: ’spreek hierover’. Verhoeff: „Ik vind dat mijn heilige plicht. Dit is geen gekkenwerk, dit is kerkenwerk.”
Ook aartsbisschop Eijk ging op werkbezoek, meldt Optocht, periodiek van het aartsbisdom Utrecht. Op een zorgboerderij lunchte Eijk met cliënten en medewerkers en hing hij een kruisje aan de muur. Nadat hij had geïnformeerd naar de melkprijzen voerde de monseigneur met een fles zieke kalfjes.
Recentelijk besloot Eijk, naar eigen zeggen om financiële redenen, tot de sluiting van de priesteropleiding aan het Ariënskonvikt in Utrecht. Waarom, vraagt een briefschrijver aan Katholiek Nieuwsblad zich af, betaalt de kerk eigenlijk de huisvesting van haar priesterstudenten? „Met mij zitten studenten HBO-verpleegkunde op een kamer van 350 euro per maand. Ze moeten een donderdagavond of zaterdag in de supermark werken. Was dat niet iets voor de studenten van mgr. Eijk geweest?”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.