*

 

'EO-nazorg opende mijn ogen'

Koert van der Velde − 17/10/09, 00:00

Terwijl de één zoekt naar nieuwe spirituele inzichten, keert de ander juist terug naar de wortels, de fundamenten van een traditioneel geloof. „Ik ken mijn lot niet, maar God wel. Hij heeft alles voorbestemd.”

Van het bestaan van God was Ralph Wilms altijd al overtuigd. Hij zocht Hem bij de hare krisjna’s. Maar die tijd, zegt hij nu, ’is een grote leugen geweest.’

Vanaf zijn tiende was Ralph Wilms (34) uit Roermond op zoek naar zijn religieuze wortels. „We waren katholiek, maar dat geloof zei me niks. Ik vroeg mijn moeder naar de betekenis van Maria ten hemelopneming en het vagevuur. Maar mijn moeder kon alleen maar herhalen wat ze in de kerk had geleerd. Een Bijbel hadden wij niet eens in huis. Door de jaren heen bleek me steeds duidelijker dat we thuis en in de kerk zaken leerden die weliswaar deel waren van het kerkelijk dogma en de traditie, maar waarover helemaal niets in de Bijbel is terug te vinden.”

Daar kon Wilms geen genoegen mee nemen. „Ik ben dan wel opgegroeid met het katholicisme, maar het idee dat daar mijn wortels lagen, heb ik nooit gehad. Toen ik op mijn zeventiende op een punkconcert een meisje tegenkwam dat van de Hare Krisjna-beweging was, imponeerde haar geloof me omdat deze gelovigen wel hun eigen heilige teksten serieus bleken te nemen. Wat zij me vertelde, sloot bij me aan, want van het bestaan van God was ik altijd overtuigd geweest. En ik had het eigenlijk ook altijd het aannemelijkst gevonden dat als God communiceert met mensen, hij dat via heilige geschriften doet – misschien dus wel via de Bhagavadgita van de hare krisjna’s.”

Wilms werd een hare krisjna. „Het volgende weekeinde ben ik naar de tempel in Amsterdam afgereisd en heb ik een Bhagavadgita (deel van het Oudindische epos Mahabharata, red) gekocht. Thuis ging ik ’chanten’, mantra’s of spreuken opzeggen, en als het eten op tafel stond, offerde ik het aan Krisjna voordat ik zelf een hap nam. Ik zag in religies wegen die allemaal naar God leidden, maar de leer van de hare krisjna’s was volgens mij de meest zuivere.”

Zijn ouders vonden dit moeilijk te accepteren, zegt hij, en met zijn moeder heeft hij in die tijd veel gedebatteerd. „Echt weerwerk kon ze mij niet geven, dus op een avond, toen ik uit was op een pittiger discussie, heb ik EO-nazorg maar eens gebeld. Ik begon met de stelling dat Jezus een avatar of verschijningsvorm van Krisjna was en dat de christenen faalden omdat ze zich niet aan de voorschriften uit de Veda’s hielden. De mevrouw aan de andere kant begon eenvoudig over het evangelie te vertellen – over Jezus en zijn lijden en dat hij gekruisigd is en na drie dagen is opgestaan, en dat hij onze zonden op zich genomen heeft. Terwijl zij zo aan het praten was, vielen plotseling de schellen van mijn ogen. Ik brak. Het moet een bovennatuurlijke ingreep geweest zijn. Vol afschuw keek ik naar mijzelf, die voor eens en voor altijd verloren zou gaan, ware het niet dat Christus voor mij gestorven was. Mijn tijd bij de hare krisjna’s was een grote leugen geweest.”

Wilms vertelt dat hij huilde en huilde – van verdriet, maar ook van blijdschap. „Opeens had ik zicht gekregen op de heerlijkheid van het evangelie, wist ik waar mijn ware wortels lagen: bij Jezus Christus en bij niets of niemand anders. Hij is mijn God, mijn Verlosser, mijn Alles. Opeens had ik zekerheid, rust en vrede. Dit moment heeft in één klap mijn denken vernieuwd en mijn leven veranderd. Mijn hele bestaan was vanaf toen gegrond in Hem.” Niet dat Wilms daarna als een engel leefde. „Natuurlijk faal ik en struikel ik, maar Gods roepstem blijft. Al weet ik een heleboel niet, heb ik geen zicht op de diepte van mijn wortels in God, twijfels ken ik niet meer. Daarvoor is de verworteling te diep. En dankzij die wortels is er groei mogelijk. En nodig. Ik ben er nog iedere dag hard mee aan het werk.”

Enige jaren geleden ontdekte hij de waarde van het gereformeerde leerstuk van de uitverkiezing. „Ik heb geen enkele verdienste aan mijzelf te danken; alle lof is aan God. Als God mij niet had uitverkoren, dan was ik nog steeds dood in zonde. Dan doolde ik losgeslagen rond, wellicht in de illusie houvast te hebben in een of ander vals geloof.”

mailIcon print |