Lingerieontwerpster Marlies Dekkers was ooit een toegewijde misdienaar. Alles wat ze doet, doet ze fanatiek en intens. „Trouw aan mezelf, omdat ik niet anders kan.”
’Toen ik vier jaar was, ging ik in een oranje panty en op hoge hakken naar de kleuterschool. Daarmee stelde ik mezelf buiten de groep. Dat was niet het doel, dat was het effect. Ik ben veel gepest, ik ben vaak geslagen. Geen haar op mijn hoofd dacht erover om iets anders aan te trekken.
Als ik terugkijk naar het kind dat ik toen was, denk ik wel eens: had je toch wat meer aangepast. Maar dat ik mijn pad moest volgen, stond van meet af aan op een hoger plan. Trouw aan mezelf omdat ik niet anders kan.
Van karakter ben ik fanatiek en intens. Als ik iets doe, doe ik het goed. Dan wil ik het helemaal snappen, doorgronden. Dat had ik ook met het geloof. Ik ben gevormd door het rooms-katholicisme. Als kind las ik de Bijbel, voor het slapen gaan bad ik de rozenkrans, ik ging iedere week naar de kerk en hoewel dat in die tijd voor meisjes heel ongebruikelijk was, werd ik misdienaar. Aan een moeder van school die theoloog was, schreef ik brieven: waaróm moest Abraham zijn zoon offeren? Ik slurpte alles op. Nu nog. Ik ben gulzig, gretig.
’Hij’ keek altijd met me mee. Aan de ene kant was dat fijn: het gaf me het idee dat ik nooit alleen was, dat iemand altijd aandacht voor me had, zich met mij bezighield. Aan de andere kant kon ik nooit aan Zijn hoge verwachtingen en eisen voldoen. Licht en donker, schuld en boete, uitgedaagd worden door een hogere macht; dat brengt iets bij mij teweeg. Het raakt me, prikkelt me. Als kind dacht ik dat het God was, maar ik ben het zelf die de lat hoog legt.
De dramatiek van de rituelen, de verheffing uit het gewone – ik hield ervan naar de kerk te gaan. Ik ervaar het op een bepaalde manier als een verarming dat de kerk weg is. Het is mooi dat de samenleving individueler is geworden, dat mensen meer zichzelf kunnen zijn, maar we zijn er ook iets mee kwijtgeraakt.
Toen ik 10 jaar was en mijn oma werd begraven, ben ik compleet overstuur de mis uitgelopen. Er werd alleen maar gezegd hoe lief ze was geweest, hoe goed ze voor iedereen had gezorgd. In mijn beleving werd ze gereduceerd tot iemand die alleen maar poezelig was – alsof je dan je taak als vrouw hier op aarde hebt volbracht. Alsof ze geen vrouw was geweest met dromen, met verlangens. Alsof een vrouw die niet mocht hebben.
In mijn werk gebruik ik soms verhalen uit de Bijbel. Ik geef er een eigen draai aan. Neem het moment vlak voordat Abraham zijn zoon wil vermoorden. Daar zijn verscheidene schilderijen van gemaakt. Omdat er in die tijd alleen bijbelse taferelen geschilderd mochten worden, zitten er lagen in – kunstenaars zochten een weg om ondanks de restricties méér van het leven te laten zien. Die blik van Abraham, de gezichtsuitdrukking van de zoon die meestal naakt is, met alleen een doekje over zijn geslacht. Je ziet zijn lichaam, zijn spieren. Dat moment is intens; gewelddadig en erotisch.
In 1991 studeerde ik af op de kunstacademie. Daarvoor maakte ik gebruik van het verhaal van Adam en Eva. Door de appel te eten, bracht Eva het kwaad in de wereld, het geweld, de dood. Maar ook het leven, de liefde – de krachten die het leven zo intens maken. Eva is mijn heldin, de vrouw die het lef had om die appel te plukken. Mijn levensmotto komt van haar: Dare to be.
Ik heb een talent gekregen. Dat verplicht me naar het hoogste te streven. Dat vraagt overtuiging en discipline. Om het nog mooier en nog zuiverder te kunnen doen. Als je najaagt wat ik doe, moet je veel energie hebben en fysiek in topvorm zijn. Ik eet heel gezond, ik sport, ik neem zelden alcohol of drugs.
Ik streef naar waarachtigheid, naar leven naar mijn ware aard. Ik wil een leven lang leren. Dat betekent ook dat ik heftige beslissingen neem. Als ik in nabijheid van anderen mijn eigen diepte niet meer voel, neem ik afscheid.
Ik kan niet anders dan trouw zijn aan mezelf. Iedereen sjoemelt wel eens, maar ik vind dat lastig. Het is voor andere mensen moeilijk met mij te leven. Ik ben een spiegel – niet omdat ik iets zeg, maar het simpele feit dat ik ben zoals ik ben, is confronterend. Die intensiteit van mij, daar moet je maar net zin in hebben. Dat dat soms eenzaamheid met zich meebrengt, is voor mij een gegeven.
Plato zegt: er bestaat een grot waarin alles aanwezig is zoals het bedoeld is. Op aarde kunnen we er alleen de schaduw van zien. Als kunstenaar heb je de plicht om iedere keer een stapje hoger op de ladder te klimmen, om uiteindelijk in die grot te mogen kijken. Wie dat lukt, is een groot kunstenaar. Als ik hun muziek hoor, hun films zie of boeken lees, dan is dat een intense spirituele ervaring. Daarvan kan ik weken van de kaart zijn. En in alle nederigheid hoop ik daar zelf ook iets van door te geven in mijn werk.
In het paradijs was alles perfect, daar heerste de spirituele volmaaktheid.
Het lot van de mens is dat hij altijd naar het paradijs zal blijven hunkeren. Wat mij betreft, zit daarin de uitdaging van het leven: de balans zoeken tussen spiritueel en aards. Voor mij hoort dat aardse, het operationele, er heel erg bij. Van een spirituele ervaring kan mijn hart ontbranden, maar ik heb een grote realiteitszin. Er moet gewoon hard gewerkt worden. Dat maakt dat ik niet loszing. Ik heb een dochter van 11. Het dragen van een kind, bevallen, het leven doorgeven – iets spirituelers heb ik niet ervaren. Maar er moeten ook luiers komen en ze moet ook naar school. Zo is het leven, dat hoort er ook bij.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.