*

 

Een vale sluier ligt over ons geluk

Nelleke Noordervliet − 17/10/09, 00:00

Een middelbare man, goedgekleed en goed in het vlees – op de achtergrond een dikke auto – staat met ietwat afhangende schouders voor een bejaarde vrouw en zegt: ’Moeder, ik ben niet gelukkig’. In die oude tekening van Peter van Straaten steekt de hele tragikomische symboliek van Nederland op dit moment.

We zijn rijk, rijker dan ooit. Zelfs de armen zijn niet zo arm als armen vroeger waren. Iedereen krijgt kansen. Opleidingen staan open voor allen. Een basisinkomen in de vorm van bijstand en AOW houdt de ergste nooddruft buiten de deur. Gaat het fout met je dan staat een leger hulpverleners klaar. Geen gezin woont meer in een vochtige, tochtige kelder. De materiƫle basis is in orde, we kunnen ons richten op hogere, geestelijke waarden en op zelfontplooiing en cultuur.

We leven in een land waarvan mijn opa droomde. En nu we het hebben, is het weer niet goed. Of niet goed genoeg. Ongenoegen knaagt aan de harten van de Nederlandse burger. Niets deugt. Ik geef toe, dat ik zelf ook vaak last heb van ergernis.

Er ligt een vale sluier over ons geluk. Alles wat maar enigszins kan dienen om dat vage gevoel handen en voeten te geven wordt aangegrepen. Of het nu de moslims zijn of de AOW-leeftijd, de teloorgang van het onderwijs of de Brusselse bureaucratie, het klimaat of de monarchie, het gebrekkige leiderschap van de minister-president of het faillissement van de DSB Bank, het zijn voor ons stuk voor stuk tekens dat de worm in het hout zit. We zijn gelukkig, maar kunnen er niet van genieten.

Nu we een doel hebben bereikt dat honderd jaar geleden onmogelijk leek, zijn we vooral bang dat het ons wordt afgenomen. Het wisselvallige lot bracht mijn overgrootouders naar willekeur ziekte en gebrek, gewerkt moest er worden tot de dood erop volgde, wie niet meer voort kon hield bij zijn kinderen de hand op of ging naar de bedeling, veilig was vrijwel niemand. Toch werd er ook gelachen. Nu is alles verzekerd. Maar we kunnen geen pijn meer hebben.

We verlangen in wezen terug naar de tijd dat we ’er nog niet waren’, dat nog op iets kon worden gehoopt, dat voor iets kon worden gestreden. Het is waar dat een wenkend perspectief de gang erin houdt. Maar we zijn tegelijk ongeduldig geworden. ’Later als ik groot ben’ is morgen, en liever nog vandaag. Het toekomstbeeld van veel jonge mensen is: ’ik ben rijk, ik ben gezond, ik heb veel vrienden, ik heb een leuke relatie’. En als dat niet meteen lukt – en daarop is de kans groot, zeker als je er geen poot voor uitsteekt – krijgt de maatschappij de schuld. Het kind stampvoet.

Ik begrijp de angst voor het verlies van verworven rechten en voor de gevolgen van een economische crisis, maar ik begrijp niet de behoefte aan een dichtgetimmerde, overgereguleerde servicemaatschappij, waarin alles op afroep beschikbaar moet zijn. Ik pleit voor de aanvaarding van onzekerheid, voor herwaardering van de lange termijn, voor uitstel van bevrediging, voor het accepteren van risico’s, en voor een zekere mate van gelijkmoedigheid. Niet voor passiviteit, maar voor een opgewekte actiebereidheid. Desnoods knokken tegen een bierkaai.

Daar horen in onbruik geraakte begrippen bij: een offer brengen, je moeite getroosten, met minder genoegen nemen. Het door en door verwende Nederland moet een schop onder zijn egoïstische kont hebben. Ikzelf eigenlijk ook.

En dat niet alleen: het wordt tijd dat we eens hartelijk om onszelf lachen. We zijn ons gevoel voor humor en zelfspot – voor zover we dat hadden – kwijtgeraakt. In het publieke debat is er nauwelijks plaats voor relativering of een goede grap. De meeste opiniestukken zinderen van de bot geformuleerde verontwaardiging. Het commentaar op het internet is doorgaans van een weerzinwekkend ordinair en agressief allooi. Iedereen is permanent gekwetst. Ik ontken niet de ernst van de problemen, maar ik beweer dat we een te verbeten houding cultiveren. Lachen mag van God, zei Annie M.G. Schmidt.

mailIcon print |