*

 

Zo simpel is het Scandinavische model niet

Janne Chaudron − 10/12/09, 00:00

De lonen van oudere werknemers in Scandinavische landen stijgen niet automatisch mee met de leeftijd. Minister Donner ziet wel iets in dit model. Maar werkt het wel?

„Het is vooral een populaire uitspraak, niet echt op feiten gebaseerd.” Dat zegt econoom Wiemer Salverda van het Instituut Arbeidsstudies in Amsterdam (AIAS), over de oproep van minister Donner (sociale zaken) om een einde te maken aan het automatisme waarmee werknemers met de jaren steeds meer gaan verdienen.

Donner ziet meer in het Scandinavische model. In Finland, Noorwegen, Zweden en Denemarken, zo beargumenteert hij, stopt de loonstijging voor werknemers op ongeveer veertigjarige leeftijd. De oudere werknemer is in die landen minder duur voor werkgevers en dat bevordert mobiliteit. Ze blijven aantrekkelijk voor bedrijven. Klopt het beeld dat Donner schetst?

„Voor een deel heeft Donner een punt”, zegt arbeidsmarktdeskundige Ton Wilthagen. „De mobiliteit onder de hele beroepsbevolking ligt op 30 procent in Denemarken, tegen 17 procent in Nederland. Maar dat kan je niet enkel toeschrijven aan de loonontwikkeling. In Denemarken stopt de loonstijging weliswaar op veertigjarige leeftijd, maar jonge werknemers stappen ook op een veel hoger loonniveau in. Bovendien is het niet gezegd dat hoge lonen van invloed zijn op het in dienst houden van oudere werknemers. Dat ligt wel iets genuanceerder.”

Ook volgens Salverda zijn ouderen in Denemarken inderdaad iets mobieler dan in Nederland, maar in andere Scandinavische landen is dat niet het geval. „In Zweden bijvoorbeeld bleven oudere werknemers na het uitbreken van de bankencrisis in de jaren negentig op hun plek zitten. In Finland veranderen ouderen niet vaker van baan dan in Nederland. Ik wil maar zeggen: als Donner spreekt over de mobiliteit van werknemers dan gaat het over alle leeftijdsgroepen.”

De econoom Salverda acht een vergelijking met het Scandinavische model bovendien onmogelijk omdat belangrijke gegevens ontbreken. „In landen als Zweden en Denemarken wordt de loonontwikkeling per werknemer van de wieg tot het graf bijgehouden. Op basis van die gegevens zijn goede analyses te maken. In Nederland volgen we geen individuele werknemers. De gegevens over de loonontwikkeling in Nederland lopen maar tot en met 2005. Na dat jaar heeft het CBS geen cijfers meer gepubliceerd. Dat heeft onder meer te maken met de grote ICT-operatie van de belastingheffing (het project Walvis). Zonder recente cijfers is het lastig een vergelijking met andere landen te maken. En is de uitspraak van Donner niet veel waard.”

Daarnaast wijst Salverda op een belangrijk punt dat Donner niet in zijn analyse heeft opgenomen. De loonontwikkeling tussen Nederlandse laag- en hoogopgeleiden verschilt in hoge mate. „Laaggeschoolde werknemers gaan er vanaf dertig jaar amper in loon op vooruit, terwijl hoogopgeleide werknemers een grote sprong maken. Donner maakt geen verschil tussen beide groepen.”

De loonsprong zou volgens Donner niet in verhouding staan tot de productiviteit van oudere werknemers, die doorgaans met het naderen van de pensioenleeftijd afneemt. Salverda wuift die vooronderstelling weg. „We weten nog erg weinig over de productiviteit van oudere werknemers, zowel in Nederland als in Scandinavische landen.” De uitspraak van Donner noemt de econoom dan ook voorbarig. „Het was destijds hetzelfde als met de arbeidsongeschiktheid. Nederland zou veel meer mensen tellen die door medische omstandigheden niet konden werken dan Zweden of de Verenigde Staten. Na onderzoek bleek dit gewoon niet te kloppen.”

mailIcon print |