*

 

De schrijver is onherstelbaar gereformeerd

Cokky van Limpt − 28/11/09, 00:00

In de Maand van de Spiritualiteit portretteert Trouw smaakmakers op het spirituele erf. Vandaag: Maarten ’t Hart, schrijver van romans waarin hij maar niet afgerekend raakt met ’de duurzame indoctrinatie met het Woord’ uit zijn gereformeerde jeugd in Maassluis. „Die kinderangst, die is nog vrij sterk aanwezig. Daar heb ik last van.”

Maarten ’t Hart (deze week 65 geworden) wordt wel verweten dat hij ermee koketteert zich zo hard mogelijk af te zetten tegen het geloof van zijn kinderjaren. Dat het een handelsmerk is geworden dat goed verkoopt, terwijl hij de kerk toch allang achter zich heeft gelaten en die ’teistering met apekool’ intussen heus wel verwerkt zal hebben.

Hij kent dat commentaar en reageert er gelaten op. Hij zou wel willen, maar het lukt hem echt niet om die bagage kwijt te raken.

„Ik spreek wel eens mensen die uit hetzelfde milieu afkomstig zijn, maar wel helemaal zijn losgekomen van hun kerkelijke jeugd en geloofsopvoeding. Die denken er ook nooit meer aan, daar is het van afgegleden als koud water van een hond. Bij mij is dat helemaal niet zo. Het zit nog heel erg vooraan.

„Als ik in de moestuin aan het werk ben en ik neurie zachtjes voor mezelf uit, is het eigenlijk altijd een psalm. Iemand die zo van klassieke muziek houdt, zou dan toch langzamerhand eens een stukje van Schubert moeten neuriën of van Bach. Maar nee hoor, daar gaat het weer: ’Zo Gij in het recht wilt treden, oh Heer, en gadeslaan onze ongerechtigheden, ach wie zal dan bestaan’.

„Die psalmversjes leerden we op school. We moesten elke week een versje leren en dat allemaal op maandagmorgen om negen uur opzeggen. Ik stelde er een enorme eer in om dat heel perfect te doen, zonder enige hapering. Dus die versjes zitten er allemaal ook nog echt in. Verbazingwekkend.”

Wat is er bij u blijven hangen van vroeger, behalve de psalmversjes in de moestuin?

„Eigenlijk is alles blijven hangen. Op een of andere rare primitieve manier geloof ik er allemaal nog wel in, maar de God van het Oude Testament vind ik een afschuwelijke potentaat, daar wil ik niks meer mee te maken hebben. Die kan ik absoluut niet zien als God is liefde, geen sprake van. Het blijft een soort opstandigheid, nijdigheid over dat strenge van het geloof dat je bijgebracht is.

„Een goede vriend van mij, Floor, heeft dat helemaal niet. Hij heeft alles precies hetzelfde meegemaakt, maar hij denkt er nooit meer aan. Hij zal nooit een psalmversje neuriën en hij zal niet ’s nachts in zijn dromen weer in de kerk zitten van zijn jeugd. Dat overkomt mij heel vaak, dan droom ik dat ik weer in de kerk zit in Maassluis. Zo diep zit dat op de een of andere manier toch.”

Is dat een nare ervaring?

„Soms wel, want dan word ik ’s nachts wakker en dan is dat hele benauwende gevoel dat ik er vroeger bij had, teruggekomen. Ik moet dan een tijdje in mijn bed heel langzaam tot bewustzijn komen en bedenken dat het allemaal heel lang geleden is, dat het voorbij is. Maar die kinderangst, die je alsmaar had omdat ze je voortdurend voorhielden dat je voor eeuwig verloren kon gaan, die is nog vrij sterk aanwezig, ja. En daar heb ik wel last van.

„Een reden waarom ik er ook niet van loskom, is dat ik, als ik terugkeer naar het ouderlijk huis, steeds opnieuw word geconfronteerd met het geloof. Mijn moeder van 89 is zeer gelovig, mijn zus is van het geloof af maar mijn broer niet. Zijn vrouw is van de volle evangelische gemeente en hun kinderen zijn ook fundamentalistisch christelijk.”

Maarten ’t Hart komt nog wel eens in een kerk, maar dan als organist. „Ik speel af en toe bij rouw- en trouwdiensten in de protestantse kerk van Warmond. In die samengesmolten kerk heb ik wel een gevoel van vervreemding. Wat daar gebeurt, herken ik niet meer. Ik moet vaak liederen begeleiden uit het Liedboek. Dan heb ik natuurlijk de muziek voor me, maar die liederen ken ik helemaal niet. Dan vraag ik wel eens aan de dominee ’geef nu eens zoveel mogelijk psalmen op, want die vind ik zo mooi’. Maar dat is natuurlijk sterk afhankelijk van wat de mensen willen. Bij oude mensen wil het wel eens lukken. Mijn faam is al doorgedrongen tot Voorhout. Daar mocht ik laatst spelen op een begrafenis van iemand van 92 die alleen maar psalmen wilde, geweldig.”

Niet alleen de psalmen, alles in Voorhout was nog precies hetzelfde als de schrijver het vroeger heeft meegemaakt.

Hebt u daar dan ook weer last van?

„Ja zeker. Wat raar, dacht ik op enig moment, dat die hele boodschap hetzelfde is gebleven. Een soort verstarring, die je meemaakt. Er kwam een beklemming over me: hoe is het toch mogelijk dat er geen frisse wind doorheen waait, dat het niet luchtiger en vrolijker kan worden.

„Ik heb het boekje van Franca Treur gelezen, die over haar gereformeerde opvoeding in Zeeland schrijft. Zij is van de gereformeerde gemeente en heeft het in haar boek regelmatig over het blad De Saambinder. Dat heb ik opgezocht op internet. En daar las ik een verhaal van dominee G.J. van Aalst over ’wat een hellend vlak de legging toch niet is voor de vrouw’. Nou zeg, wat een repressie. Als je dat aantrekt, schrijft Van Aalst, is de satan al helemaal in je zieltje binnengeslopen. Eerst gaat het nog: je trekt een legging aan en dan doe je er een jurk overheen, maar de volgende stap is dat je de jurk weglaat, en dan! Wat is nou een legging? Dat is toch helemaal geen mannenkleding! Dan word ik ontzettend kwaad en denk ik aan al die meisjes die daar last van hebben.”

Wat vindt u van een moderne PKN-dienst, los van het bezwaar dat daar weinig psalmen worden gezongen?

„Bij een PKN-dienst heb ik het gevoel dat die hedendaagse dominees zelf ook denken, dat het meer een soort ritueel is, en eigenlijk niet zo belangrijk of er nu echt iets achter zit. Of God bestaat, is eigenlijk helemaal niet relevant, als de mensen maar een gevoel hebben van troost, geborgenheid en een zekere minimumbestaanszekerheid. Zoals nu met de Mexicaanse griepprik. Volgens mij haalt die prik helemaal niets uit, maar de mensen hebben een zekerheid nodig dat ze geen griep krijgen, dus iedereen gaat die prik halen. Die biedt een soort schijnzekerheid. De mensen willen hun lot in eigen hand kunnen nemen en niet dat ze zomaar iets kan overkomen.

„Zo is het, denk ik, met de troost en geborgenheid die godsdienst sommigen kan bieden, ook. Het is natuurlijk niet zo leuk om te denken dat je in een groot duister heelal leeft waarvan je helemaal niet weet waar het voor dient en dat je maar een stipje bent in een oneindige ruimte. Dat al die geslachten maar op elkaar volgen, zonder enig doel, zonder enige zin. Ik kan mij sombere gevoelens daarover wel goed voorstellen. Ikzelf heb wel een sombere kijk, maar ik heb er geen last van.”

Als u de balans van uw geloofsopvoeding opmaakt, ligt er dan tegenover de oude kinderangst en de boosheid ook nog iets positiefs in de weegschaal?

„Ja zeker, ik heb inzicht gekregen in hoe geloof werkt, hoe het in elkaar zit. Waarom mensen gelovig zijn en er zo fanatiek aan vasthouden. En ik heb er een enorme bijbelkennis aan overgehouden. Daardoor begrijp ik veel dingen en kan ik de dominees met hun eigen wapens verslaan, wat ik ook heel belangrijk vind.

„Vroeger thuis werd er ’s morgens, ’s middags en ’s avonds een hoofdstuk uit de Bijbel gelezen. Op die manier leer je de Bijbel natuurlijk heel goed kennen. Alleen, mijn vader sloeg de geslachtsregisters altijd over. Twijfelachtig, want je wilt de hele Bijbel kennen, alles, ook de geslachtsregisters. En hij veranderde wel eens een enkele keer een passage. Er staat ergens een passage over een hoerenwinkel, daar maakte hij hoedenwinkel van. Dat vond hij toch te erg.”

Hoe leest u de bijbelverhalen?

„Dat zijn natuurlijk prachtige verhalen, zeker in het Oude Testament, allemaal even spectaculair: Jozef met zijn broeders, David en Absolom. Ik lees ze puur als literatuur, als romans. Alleen had ik gewild dat ze er in mijn jeugd niet zo op gehamerd hadden dat het allemaal woord voor waar is. Juist daarom vielen mij allerlei dingen op waarvan ik dacht, dat kan helemaal niet. Maar je mocht er niet echt over nadenken, dat werd je verboden en dat heeft mij erg opgebroken.

„Laatst had ik het met mijn moeder nog over de Ark van Noach. Heeft de kangoeroe dan ook in de Ark gezeten?, vroeg ik haar. Die moest toch helemaal uit Australië komen! Ja, zei ze, dat kan toch best. Hij kan toch heel verre sprongen maken. Dan is hij van Australië naar Nieuw-Guinea gesprongen, over Nieuw-Guinea heengelopen en vervolgens al die eilandjes van de Indonesische archipel afgesprongen, in Singapore aangekomen en van daar over land naar de Ark gelopen. Ja, dat is reuze vindingrijk. Ik kon daar nu wel enorm om lachen, maar als kind werd ik daar een beetje nijdig over, want je voelde je toch niet serieus genomen.”

Voor mystieke ervaring en voor verwondering over bijvoorbeeld de kiemkracht van zaadjes in zijn moestuin is Maarten ’t Hart niet in de wieg gelegd. „Dat soort spiritualiteit ontbreekt bij mij, een orgaan daarvoor mis ik. Zeker als ik in de tuin werk, heb ik niet die soort gevoelens. Die zou ik eerder nog bij de muziek van Bach kunnen hebben. Het bevredigende van werken in de tuin is juist dat het je denkvermogen helemaal stilzet, dat je alleen met je handen bezig bent. En onwillekeurig gebeurt er dan toch wel wat in je hoofd, maar dan komen bij mij dus vanzelf die psalmen weer bovendrijven.”

mailIcon print |