*

 

Meester van de ijspret

Cees Straus − 28/11/09, 00:00

Het Rijksmuseum biedt een hernieuwde blik op de puur-Hollandse anekdotische ijsgezichten van Hendrick Avercamp.

De winter van 1607 op 1608 moet ijzingwekkend koud zijn geweest. Als er in die tijd al Elfstedentochten werden gereden, dan had die gemakkelijk verschillende keren gehouden kunnen worden: de vorst begon al half november 1607 en duurde onverminderd voort tot eind februari van het volgende jaar. De Zuiderzee was drie eeuwen voor de komst van de Afsluitdijk een open wereldzee waar het behoorlijk kon spoken, maar deze winter lag het ijs er decimeters dik op. Het ijs was zo sterk dat schaatsers de tocht van Kampen in het verre Overijssel naar Amsterdam dwars over zee aandurfden.

Sindsdien was de winter niet meer weg te denken uit de kunst die Nederland in die tijd van de Gouden Eeuw zo wereldberoemd zou maken. Sinds de ’kleine ijstijd’ waarvan deze winter het hoogtepunt was, maakten schilders, klein en groot, zich meester van het onderwerp. Hendrick Avercamp (1585-1634) was de bekendste. Hij schiep een veelkleurig oeuvre dat tegenwoordig weer helemaal in de belangstelling staat. Een overzicht van zijn werk in het Rijksmuseum laat zien dat hij eigenlijk een meer schilderende tekenaar, of een tekenende schilder is geweest, dan een schilder die zich uitsluitend in olieverf wilde uitdrukken.

Wat Avercamp zo populair maakte, is zijn uitstekende gevoel om de kijker voortdurend met verhaaltjes te confronteren. Zijn anekdotische trant van werken is onmiskenbaar charmant en ze heeft ook veel te maken met onze liefde voor winterpret.

Op de schilderijen en in de tekeningen (die voor Avercamp een minstens zo belangrijk medium waren) is het een en al vorst. Een brede rivier, een plas of meer is al gauw genoeg om te stofferen met tientallen zwierende mannetjes en vrouwtjes die zo te zien dolle pret hebben. Dat het koud is, zie je wel aan mannetjes of kindertjes die zich de wangen bol blazen om warme lucht in hun handen te krijgen, aan de rokende schoorstenen van de boerderijen of aan de schraal roze lucht die bij deze schilder altijd boven de einder hangt, in plaats van met sneeuw bezwangerde wolken.

Avercamp, die geboren werd in een door en door Noord-Nederlands gezin en beurtelings in Amsterdam en Kampen heeft gewoond, begon zijn schildersloopbaan in een tijd dat die nog sterk door Antwerpse vluchtelingen werd gedomineerd. Het ijsvermaak staat niet uitsluitend in zijn schilderijen en tekeningen centraal. Avercamp decoreert de randen van de waterpartijen vaak met kloeke boerderijen van het Saksische type waarbij de boer en zijn gezin nog onder één dak met hun vee leven. Maar hoe realistisch de voorstellingen ook ogen, het gaat wel om fantasielandschappen. Hollands ja, maar vaak samengesteld met steeds terugkerende motieven. Ook aan de figuurtjes wordt de nodige zorg besteed. Ze zijn soms modieus gekleed of anders traditioneel, maar altijd naar de tijd waarin de schilder zelf leefde. De 17de-eeuwse Avercamp had geen romantische behoeften, zo anders dan de vele schilders in de 19de eeuw die plotseling ook de winterpret ontdekten toen ze weer eens naar dergelijke voorbeelden uit de 17de eeuw keken. Of je nu bij Schelfhout, Spohler, Apol of Roosenboom kijkt, ze geven maar zelden een indicatie van de tijd waarin ze leven.

Het is opvallend dat Avercamp voor een mooie weergave van zijn figuren vaak naar pen en krijt grijpt. Hij toont ze graag ten voeten uit, zodat de nadruk niet alleen op de haardracht, de hoeden en baretten, de brede roomwitte kragen daaronder en de fragiel getailleerde heupen kan vallen, maar ook op de pij, kniekousen, de schoenen en niet te vergeten de schaatsen die van dierenbeenderen lijken te zijn. Ook het onderbinden van de schaatsen, de verkleedpartijen aan de rand van het ijs, een valpartij die onverwacht uitzicht biedt op rode billen, komen aan bod. IJspret had (en heeft) iets democratisch: op het bevroren water begeven zich arm en rijk, boeren die ’s winters weinig werk om handen hadden, maar ook burgers en geestelijken (Avercamp laat soms gesluierde nonnen rondzwieren), notabelen op een arreslee en volkstypen die een kakhuisje bezoeken. Impliciet wijst Avercamp er dus op dat ijspret ook een sociaal gebeuren is waar uiteenlopende standen aan wilden deelnemen, zij het dat de rangen zich niet direct verbroederden. ’Zien en gezien worden’ was minstens even belangrijk als het eigenlijke schaatsen. Dat leidt er ook toe dat de ogenschijnlijk naïeve aanpak van Avercamp achterhaald is. De veelgelaagde betekenis van zijn voorstellingen en het gebruik van een praktisch vergeten symboliek zetten Avercamp in de rijen van de belangrijkste Noord-Nederlandse schilders uit het begin van de Gouden Eeuw.

mailIcon print |