De rechter opende de derde zittingsdag met het voorlezen van een notitie. Het was de registratie van een telefoongesprek dat hij om 09.15 uur had gevoerd met de behandelend arts van de aangeklaagde.
De aangeklaagde klaagde over hoofd- en gewrichtspijnen en leed aan een nog onduidelijke infectie. Bij een koortsmeting om 08.00 uur had men een temperatuur van 37,5 graden gemeten. Dit was een uur nadat hem een koortsverlagend middel was verstrekt, zodat de arts de werkelijke temperatuur een halve graad hoger inschatte. Daarmee stond vast dat de aangeklaagde niet vervoerd kon worden. De rechter restte dus niets anders dan de zitting te verdagen tot de volgende zitting: eind december of januari.
Er volgde enig rumoer in de zaal, en wat schamper gelach over die 37,5, maar die lichte verhoging betekende veel voor de medeaanklagers in dit proces, de 23 nabestaanden van de in Sobibor omgekomen joden – de meesten uit Nederland. Vijf van hen waren op de tweede zittingsdag door de rechtbank als getuigen gehoord, hoewel het woord ’getuigen’ hier heel breed moet worden opgevat. Ze konden eigenlijk alleen maar getuigen dat ze daadwerkelijk verwant waren met slachtoffers uit het kamp.
En dat ze konden getuigen, was veelal te danken aan het feit dat hun ouders hen, als destijds jonge kinderen, nog hadden weten onder te brengen bij niet-joodse vrienden of kennissen.
Sommigen van hen zijn nu oud, een enkeling gebrekkig, en hun aanwezigheid hier valt de meesten zwaar. Ze weten niet of de man die hier voor gerecht staat ook daadwerkelijk schuldig is aan het hem ten laste gelegde. Dat zal de rechtszaak moeten uitwijzen. Ze hopen vurig dat hij iets zeggen wil, hij van wie ze aannemen dat hij erbij was destijds, toen hun ouders in de gaskamer verdwenen, maar hij zwijgt, en zweeg ook toen de rechter hem vroeg of hij iets wilde zeggen.
Maar op zijn minst willen ze hun verhaal vertellen, hier op deze plaats, in de aanwezigheid van deze aangeklaagde, voor deze rechter, in dit land, desnoods in de taal van dit land, zoals twee van hen al deden.
De eerste die, op de tweede zittingsdag, gelegenheid kreeg iets te zeggen, was Mary Richheimer-Leijden van Amstel, 70 nu en enig overgeblevene uit haar familie. Ze zat op drie meter van de aangeklaagde en sprak met vaste stem. Want huilen, zei ze later, dat wilde ze niet in zijn bijzijn. En David van Huiden (80) sprak, in het Duits, om te zeggen dat hij zijn leven wist te redden door kort voor zijn ouders werden opgepakt de jodenster af te rukken en de Duitse herdershond uit te laten. En hij eindigde met te zeggen: Ich danke herzlich für die Möglichkeit, dass ich hier etwas sagen durfte.
Daarom ging het. Een stem laten horen, namens hen die verdwenen. Het staat nu ook hier geboekstaafd. De anderen zullen, dankzij die lichte verhoging, straks de zware reis naar München nog eens moeten maken.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.