*

 

Hulp leidt tot rel in wetenschap

Han Koch − 03/12/09, 00:00

Zware kritiek op ontwikkelingshulp mag promovendus Janssen best geven. Maar dan liefst wel gefundeerd, vinden vier hoogleraren.

De hulp aan Afrika werkt averechts en kan beter worden gestaakt. En wereldwijd verdampt van de 100 miljard dollar steun 30 miljard dollar door corruptie. Voor Nederland kun je ervan uitgaan dat een derde van de bijna 5 miljard euro aan steun, dus ongeveer 1,5 miljard euro, als verloren moet worden beschouwd.

Deze voor ontwikkelingsamenwerking vernietigende conclusies staan in het proefschrift van Wiet Janssen. De promovendus, die jarenlang zelf als consultant in ontwikkelingslanden werkte, voegt zich met zijn bevindingen in een lange rij van critici onder wie Dambisa Moyo (dit jaar) en William Easterly (in 2003). De kritiek wordt overigens iedere keer op een andere manier opgediend. Zo is veel van de kritiek die Janssen, Moyo en Easterly uitten al terug te vinden in een groot rapport van Wereldbank-onderzoeker David Dollar uit 1998. Dollar betoogde destijds dat hulp alleen gedijt in landen met een goed bestuur en goed beleid. Zo niet, dan moest rekening worden gehouden met teleurstellingen. „Zie Zambia”, gaf Dollar destijds als voorbeeld, „dat land had gemeten naar de omvang van de hulp uit moeten groeien tot het Zwitserland van Afrika.” Dollars rapport leidde tot een doctrine, een leidraad voor het handelen van veel landen die ontwikkelingshulp verschaffen. De vraag is of het onderzoek van Janssen, die vandaag promoveert aan de Universiteit Twente, een vergelijkbare impact heeft.

Eén effect gaat in ieder geval verloren: Janssen had al voor hij promoveerde de toezegging van VVD-politicus Arend Jan Boekestijn – toen nog Kamerlid – dat hij in de Kamer kritische vragen zou stellen naar aanleiding van het proefschrift. Maar Boekestijn moest opstappen nadat hij uit school klapte over een gesprek met de koningin.

Wat zijn de belangrijkste conclusies van Janssen? Lager onderwijs leert arme kinderen niets waar ze wat aan hebben. Met het kleine beetje lezen en schrijven dat ze in Afrika leren, kun je niet in je inkomen voorzien. In het basisonderwijs zou meer aandacht moeten zijn voor het kind als toekomstige ondernemer, zo beveelt Janssen aan. Ook Moyo vindt dat Afrika niet moet worden overladen met goedkoop geld om te leren, maar met banen. Net als Moyo, maar zij was ook al niet de eerste, wijst Janssen op het grote gevaar van de ’Hollandse ziekte’. Daar wordt mee bedoelt dat door de instroom van buitenlandse valuta de lokale prijzen stijgen waardoor Afrikaanse landen wat prijspeil betreft niet meer kunnen concurreren met hun Aziatische collega’s, die vroeger zelfs armer waren dan de gemiddelde Afrikaan.

In het algemeen ziet de promovendus geen statistisch verband tussen tussen hulp en ontwikkeling. Veel landen die steun ontvangen ontwikkelen zich zeker niet sneller dan landen met minder hulp. De relatie is volgens Janssen zelfs eerder omgekeerd. Overigens zijn ook geen nieuwe bevindingen – de eerdere genoemde Dollar en ook Easterly kwamen tot min of meer vergelijkbare resultaten.

Volgens Janssen leidt het opkrikken van de drinkwatervoorziening en de gezondheidszorg tot meer kinderen en ook tot meer kinderondervoeding. Daarbij is zijn redenering als volgt: de ondervoeding stijgt omdat er meer kinderen blijven leven door een betere zorg en schoner water terwijl het voedselaanbod niet toeneemt.

Dat probleem is overigens in de sector ontwikkelingssamenwerking niet onbekend. De Wereldbank en andere instellingen alsmede minister Koenders vinden al geruime tijd dat met name de landbouw in Afrika een stevige slinger moet krijgen en eigenlijk jarenlang als een ondergeschoven kind is behandeld.

mailIcon print |