*

 

'We hebben nog tot maandagmorgen!'

Sofie Cerutti − 17/10/09, 00:00

Of DSB Bank maandag nog bestaat, is maar zeer de vraag. Het personeel heeft echter nog hoop nu Scheringa 48 uur lang nog mag zoeken naar een serieuze koper.

De DSB-familie gaat een spannend weekeinde tegemoet. „We leven nog”, zei Dirk Scheringa gisteren nadat de rechtbank hem 48 uur de tijd heeft gegeven om met een serieuze gegadigde te komen voor zijn technisch failliete bank. Volgens de DSB-voorman staan de Amerikanen klaar om naar Nederland af te reizen en hier de boeken door te ploegen.

Bij de vakbonden De Unie en FNV Bondgenoten overheerst hierdoor het gevoel dat recht is gedaan aan het belang van de werknemers. De kans op overleven blijft klein, maar het is een kans. Reacties uit wat DSB-medewerkers noemen ’het kamp van Bos en Wellink’ bleven uit. De Nederlandsche Bank reageerde niet, het ministerie van financiën meldde alleen kennis te hebben genomen van het vonnis.

Voor de DSB-werknemers werd het een zeer spannende dag, die begon bij de rechtbank op de Amsterdamse Parnassusweg. Om elf uur zijn al tientallen mensen aanwezig. Veel hoop hebben de meeste werknemers niet meer.

„Dirk had het over een strohalm. Zo groot zullen onze kansen dus niet zijn.” Toch geven ze die laatste hoop, op de Amerikaanse investeerder van wie niemand de naam weet, nog niet op. „Daarom zijn we hier ook gekomen. Wat er ook gebeurt, we willen er nu bij zijn.”

Er worden toeters, mutsen en vlaggen uitgedeeld, zij geven het DSB-gevoel, dat zo langzamerhand beroemd is geworden, kleur. Informatie ter plekke is schaars; iedereen loopt met telefoons, luistert naar de radio en kijkt op internet. Iets over twaalven komt het bericht door dat de beslissing van de rechtbank is uitgesteld.

„Wat betekent dat nou?” vraagt iemand. „Nou, gewoon dat de bespreking uitloopt”, zegt een ander. „Nee hoor, het betekent dat het echt serieus is met die Amerikanen”, zegt een derde.

Om kwart voor twee komt Scheringa aan bij de rechtbank. Hij wordt zoals steeds deze week met applaus ontvangen. De leden van de Ondernemingsraad gaan ook mee naar binnen.

Het wachten begint opnieuw. In de uren die volgen en waarin iedereen het steeds kouder krijgt, gaan sommige DSB-medewerkers naar huis, maar er komen ook nieuwe mensen bij. Een man of vijftig blijft hardnekkig staan. Af en toe gaat iemand weg om koffie te halen, maar niet lang: elk moment kan er iets gebeuren.

Iets na zes uur komt Scheringa naar buiten. Wat hij precies zegt, horen alleen de mensen die rondom hem staan. Maar uit het gejuich en applaus dat opnieuw opstijgt, maakt iedereen op dat DSB nog een kans heeft. „Maandagmorgen, we hebben nog tot maandagmorgen”, zoemt het rond. Mensen omhelzen elkaar, tranen in de ogen.

„Hier hebben we zó op gehoopt”, vertelt een jonge vrouw met een stralend gezicht onder een rode DSB-muts. „Het kan nog goed komen.” Dan schiet ze ineens toch vol. „Ik heb kleine kinderen thuis. Die begrijpen er weinig van, maar ze voelen de spanning al de hele week.”

De opluchting overheerst, al breekt daar direct West-Friese nuchterheid doorheen. „We hebben nog werk”, zegt een vrouw. „In elk geval tot maandagmorgen.”

mailIcon print |