Het kabinetsbesluit om de AOW-leeftijd van 65 naar 67 jaar te verhogen heeft als voornaamste verdienste dat het de coalitie uiteindelijk toch nog gelukt is die kogel door de kerk te krijgen. Dat was ook hard nodig, want het was met het oog op de vergrijzing onverantwoord dit probleem langer voor zich uit te schuiven. Nieuwe tijden vragen om een andere aanpak, wat de vakbeweging of sommige oppositiepartijen ook beweren en daar hoort ook bij dat er grondig gekeken wordt naar het vanzelfsprekende pensioen op 65-jarige leeftijd.
In grote lijnen is de voorgestelde verhoging ook verdedigbaar. Onder meer omdat het kabinet bereid bleek rekening te houden met mensen die in een zwaar beroep snel ’opraken’, geestelijk dan wel fysiek. Maar ook omdat het ruimte biedt om er na veertig jaar arbeid mee te stoppen, zij het tegen een iets lagere uitkering, zodat er een prikkel blijft om toch door te werken.
Dit alles neemt niet weg dat er lelijke haken en ogen aan het besluit zitten. Niet meer dan dertig jaar zwaar werk verrichten klinkt mooi. Maar wat doet een werkgever met een werknemer die na 25 jaar zware arbeid bij hem solliciteert? Hem in dienst nemen, inclusief de zorg straks wat anders voor hem te moeten verzinnen? Of toch de voorkeur geven aan iemand anders?
Weinig fraai is ook dat het uiteindelijke voorstel te veel sporen bevat van het verzet van de vakbeweging. In plaats van het ordentelijke en zinnige aanvankelijke voorstel om de AOW-leeftijd vanaf 2011 te verhogen in stapjes van een maand per jaar, wordt nu gekozen voor het ontzien van een hele leeftijdsgroep, die van de babyboomers.
Mensen in 1954 of daarvoor geboren, blijven gewoon op hun 65-ste AOW ontvangen. In 2020 gaat de leeftijd naar 66 en dan in een aantal stappen naar 67 jaar in 2024. Aan dat idee kleven grote bezwaren. In de eerste plaats wordt nodeloos de tegenstelling tussen de generaties verscherpt door zo'n scherpe grens bij 1954 te leggen en in de tweede plaats worden de ervaringen met eerdere maatregelen genegeerd.
In 2003 besloot het toenmalige kabinet de vut en het prepensioen aan te pakken. Sindsdien zie je langzaam maar zeker de arbeidsparticipatie van ouderen stijgen. Met een verhoging van de AOW-leeftijd in stapjes was dat proces min of meer geruisloos doorgegaan. Nu wordt het onbegrijpelijke signaal aan een generatie afgegeven dat zij de laatste mogen zijn, die een luxepositie wordt gegund.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.