*

 

Stadsvoedsel als bindende kracht

Kees de Vré − 17/07/09, 00:00

Will Allen (59) begon vanuit het niets voedsel te telen op lapjes grond in de stad en groeide in de VS uit tot het icoon van de urbane landbouw. ’Door de slavernij zit het in mijn genen’.

Hij is twee meter hoog, één meter breed en heeft dito handen. Will Allen oogt als een killer, maar het eerste oogcontact onthult een en al vriendelijkheid. Deze minzame reus gebruikte als jongeling zijn gespierde lijf om professioneel te basketballen, maar inmiddels zet de zwarte Amerikaan lichaam en geest in voor de minderbedeelden. Hij boert en onderwijst in arme binnensteden in de VS en groeide zo uit tot een icoon van de urbane landbouw.

Onlangs was Will Allen (59) in Nederland om het symposium Foodprint bij te wonen dat was georganiseerd door het Haagse kunst- en architectuurcentrum Stroom. De dag ervoor reed hij rond in het Westland op zoek naar nieuwe ideeën. Hoe komt een sportman in de landbouw terecht?

„Dat is niet zo heel vreemd. Ik ben een achterkleinzoon van slaven die in het zuiden van de VS op boerderijen werkten. Mijn familie boert al zo’n 300 jaar. Mijn vader was een pachter in South-Carolina, die naar het noorden besloot te verhuizen, naar Maryland vlakbij Washington, in de hoop op een beter leven voor zijn kinderen.”

Allen bleek op de middelbare school een goede sporter en ging basketballen. „Lekker een beetje sporten en reizen. Dat leek me wel wat.” Na vele omzwervingen kwam Allen terecht in België, bij Aalst en daar speelde hij drie jaar in het topteam. „Gek genoeg kwam ik zelfs daar met boeren in contact, boeren die met vallen en opstaan zochten naar de juiste manier van voedsel telen. Ik ontdekte een verborgen passie in me, het zit kennelijk in mijn genen.”

Weer thuis besloot Allen in het verlengde daarvan bij zijn vader te gaan werken op het stuk land in de buurt van de Amerikaanse hoofdstad. Hij hield daarmee op omdat hij ondanks al dat harde werken zijn kinderen niet naar een goede school kon sturen. Allen ging het bedrijfsleven in en kwam onder meer terecht bij de schoonmaakmiddelengigant Procter & Gamble. „Op een van mijn vele trips kwam ik een keer in Milwaukee in de staat Wisconsin. Daar zag ik in het centrum een stuk ongebruikt land met een vervallen kas en besloot na enig nadenken – mijn kinderen waren goed terechtgekomen – om het te kopen.”

In 1993 nam Allen ontslag en ging weer volop boeren. De passie die hij in België ontdekte en in Washington rijpte, kon hij in het noordelijke Milwaukee eindelijk realiseren. Hij wilde in stadscentra vers voedsel telen en dat voor lage prijzen aan de armen verkopen. „Veel Amerikaanse binnensteden kennen voedselwoestijnen, plekken waar in een wijde omgeving geen vers voedsel te krijgen is. De schaarse winkels hebben er bier, chips en verpakt en bewerkt eten. Het zijn vooral arme zwarten die er wonen en ik heb nou eenmaal zuidelijke wortels”, licht hij toe.

Maar Allen wilde meer dan voedsel telen. Hij wilde vooral ook aan jongeren laten zien dat werken op het land succesvol kan zijn. Dat het niet per se iets is voor losers. „En ouders van die kids wilde ik laten zien dat landbouw iets eerbaars is. Vele oudere zwarten hebben een negatief gevoel bij landbouw, omdat het hen doet denken aan slavernij. Je eigen voedsel telen maakt mensen zelfbewust en sterk. Je krijgt een band met de grond waarop je leeft en tevens een band met mensen om je heen. Voedsel is een machtige bindende kracht, je kunt er hechte gemeenschappen mee scheppen.”

Allens bedrijf heet niet voor niets heel dubbelzinnig Growing Power. Op het stukje land van twee voetbalvelden kon hij verse producten telen voor 2000 mensen, zo bleek. „Het eerste jaar was al succesvol. Jongeren werden nieuwsgierig en gaarkeukens in de buurt riepen mijn hulp in om voor vers voedsel te zorgen. Ik kon die twee combineren. Vers voedsel voor de armen – ik heb groentenpakketten van 16 dollar waarvan vier mensen een hele week kunnen eten – en die kids verwerven zo gereedschap waarmee ze zich in het leven kunnen handhaven. Dat werd weer door kranten en uiteindelijk ook plaatselijke tv-stations opgepikt. Toen ging het balletje rollen.”

Allen bleef ondertussen experimenteren met allerlei teelt- en kweekprocessen. Hightech is uit den boze, want veel te duur. Dat bleek onlangs wel op zijn tour door het Westland. Toen hij een tomatenkweker over energiebesparing sprak, vroeg hij tussen neus en lippen door wat zijn systeem wel niet kostte. Tien miljoen euro, was het antwoord, waarop Allen afhaakte. „Dat kan ik nooit betalen”, riep hij nog, maar hij kroop wel met zijn lange lijf onder de tomatenplantjes om ze van alle kanten te fotograferen.

Thuis in Milwaukee dokterde Allen al ruim tien jaar terug een eigen viskweekmethode uit. Hij gebruikte daarvoor drie olievaten: een voor de vis, een voor de poep van de vis en een voor planten. Die drie vaten verbond hij simpel met plastic buizen zodat ze één systeem vormen. De vis gebruikt de planten en de planten gebruiken het visafval. Allen slaagde erin het systeem gesloten te krijgen en de binnenstad van Milwaukee smikkelt nu van zijn tilapia.

„Ik bootste simpelweg een rivier na. Ik begon met 1000 liter water en heb dat inmiddels opgeschaald naar 20.000 liter per systeem.” Hij begon ook met wormen omdat die in staat zijn voedselresten te composteren tot uitstekende teelgrond. „Dat lukte niet gelijk. Ik heb toen vele uren aan studie besteed en zocht precies uit wat wormen bijvoorbeeld het liefst eten en bij welke temperatuur ze het best gedijen. Ik ben nu een ware wormenexpert en uiteindelijk is het gelukt om ze aan de praat te krijgen. Ik maak van afval weer heel vruchtbare grond waarmee ik mijn land erg productief maak.”

Allen realiseerde op zijn twee voetbalveldjes al gauw een jaaromzet van 70.000 dollar. Nu heeft hij acht tuinderijen, waarvan drie in de binnenstad van Milwaukee, drie in het centrum van Chicago en twee in het buitengebied van Wisconsin. In 2005 passeerde Growing Power een omzet van een miljoen en dat is nu een veelvoud.

Naast het werken met vrijwilligers heeft Allen sinds 2000 werknemers in dienst en geeft hij trainingen aan mensen die ook stadslandbouwprojecten willen opzetten. „Dat zijn niet meer alleen arme zwarten. Ook yuppies die iets totaal anders zoeken, komen bij me voor een opleiding.”

Hij zoekt ook samenwerking met andere bedrijven, maar meer nog zij met hem, want Allen is nu ieders knuffelbeer. „Bijna elk bedrijf wil iets groens doen. Ze willen sponsoren, ze kopen eten bij me, ze vragen me een groentetuin aan te leggen, ik kan bij veel restaurants en cafetaria’s het voedselafval ophalen, ik organiseer boerenmarkten. Ook universiteiten zoeken me op om onderzoek te doen. Het gaat de laatste twee jaar zo hard, het is echt een revolutie aan het worden.”

En de politiek? Allen zucht. „Ach, de politiek. Weet je, als er iets aan de hand is in de buurt, bellen de mensen ons op en niet de gemeente. Zo’n in de gemeenschap gewortelde organisatie beschouwen zij als hun schat. Dat maakt echt het verschil. Dan zie je wat deze kleinschalige manier van voedsel telen al kan doen. Met echte banen die behoorlijk betalen. De mensen voelen zich betrokken. Dit is een andere manier van leven. Dit heeft de toekomst.”

mailIcon print |