Nederland is codeland. Het wemelt van de gedragcodes, van de code-Tabaksblat, de Aedescode, de code voor de Publieke Omroep tot de code voor universiteiten, de code voor culturele instellingen, de code voor de zorg en nog veel meer. Zelfs de Balkenende-norm is een code: voor salarissen in de publieke sector.
Aan nobele motieven ontbreekt het niet, bij het opstellen van de zoveelste code. Ze geven richtlijnen voor een integer bestuur. Ze zijn vaak vrijwillig en kunnen niet worden afgedwongen. Bij veel normen geldt zelfs het ’pas toe of leg uit’-beginsel: als de normen van de code niet worden toegepast, moeten de bestuurders motiveren waarom niet.
Door de code weet iedereen waaraan hij toe is, is de gedachte. Het schept ogenschijnlijk ook duidelijkheid in het schemergebied tussen wat nog wel, en wat net niet meer kan. Codes worden meestal opgesteld na maatschappelijke onrust, waarbij brede lagen van de bevolking het gedrag bij organisaties afkeuren, na ophef over bonussen, na gedoe over het benoemingsbeleid of na beschuldigingen van belangenverstrengeling. Dan moet er iets gebeuren. Er wordt een groepje gezaghebbende –meestal– mannen geformeerd, die de grenzen moeten trekken tussen fatsoen en onfatsoen.
Helaas hebben codes vaak een averechts effect. Bestuurders vinden dat ze niet meer over integriteit hoeven na te denken als ze de code volgen. Ze zien het gedrag in de code niet als grens, maar als algemeen geaccepteerd gedrag. Wat is het spannend om een stapje verder te gaan! Dat gebeurt bijvoorbeeld met het ’pas toe of leg uit’-beginsel. Een creatieve uitleg is voor fantasierijke mensen altijd wel voorhanden.
Codes over beloningen veroorzaakten een wedloop in beloningen. Veel codes schrijven voor dat beloningen van bestuurders openbaar gemaakt moeten worden. Dan worden salarissen gematigd, was de gedachte. Bestuurders willen toch niet te boek staan als graaiers? Maar het omgekeerde gebeurde. Bestuurders raadplegen niet het eigen geweten bij de vaststelling van het salaris. Ze kijken naar anderen en doen er wat bovenop. Hink-stap-sprong en weer een tonnetje erbij.
De Balkenende-norm heeft in het openbaar bestuur al het karakter gekregen van een minimum. Bestuurders van piepkleine organisaties nemen het als ijkpunt. Zolang het minder is dan Balkenende, mag het toch?
Volgens de code-Tabaksblat mag een bestuurder maximaal vijf commissariaten hebben. Vervelend voor de echte netwerkers, die grossieren in nevenfuncties. Maar zij vonden meteen een oplossing: ’Tabaksblat’ geldt alleen voor beursgenoteerde ondernemingen. Andere nevenfuncties zijn dus toegestaan, hoeveel het er ook zijn. Zelfs met twintig belangrijke nevenfuncties kan een bestuurder zich op de borst kloppen met de mededeling dat hij Tabaksblat volgt.
Sommige codes zouden lachwekkend zijn, als ze niet zo droevig waren. Zoals de code die voorschrijft dat bankbestuurders de klanten centraal moeten stellen. Die kwam er nadat in het recente verleden bankbestuurders vooral op zichzelf letten. Klantvriendelijkheid is de basis van iedere onderneming. Als banken kunnen blijven voortbestaan zonder te letten op de klanten, zal een code weinig helpen, vrees ik.
De gedragscode bij de publieke omroepen werkt niet, zo liet NRC-Handelsblad vorige week zien. Basale normen, zoals een vermelding van sponsors bij programma’s, werden overtreden. Men maakte gratis reizen op kosten van potentiĆ«le opdrachtgevers, en verstrekte opdrachten aan het bedrijf van familieleden. Dit alles ondanks de code. Waar fatsoen afwezig is, helpt een code blijkbaar ook niet.
Integriteit moet nu eenmaal in de mens zelf zitten. Daar heb je geen codes voor nodig.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.