Niets bleef overeind van de beschuldiging dat in het Amsterdamse verpleeghuis Jan Bonga mensen zijn overleden door slechte zorg. Staan de verpleeghuisartsen die dit meldden nu in hun hemd?
„Ik ben bang dat er in ons verpleeghuis voortijdig mensen zijn overleden”, zei verpleeghuisarts Jedidja Fortuijn op 14 april in een interview in Trouw. Samen met twee collega-artsen had zij in de tweede helft van vorig jaar ontslag genomen bij Jan Bonga, een verpleeghuis voor mensen met dementie. De drie verpleeghuisartsen wilden er de zorg niet langer voor hun rekening nemen, omdat die onder de maat zou zijn.
Joep Aarts, voorzitter van de raad van bestuur van Amsta, de Amsterdamse zorgketen waartoe Jan Bonga behoort, ontkende niet dat er van alles mis was geweest maar dankzij een ’verbetertraject’ was sinds de zomer van 2008 de weg omhoog teruggevonden. De inspectie was tevreden met het plan van aanpak, alleen moesten er nog wel garanties komen voor een blijvende verbetering.
Wat betreft de venijnige suggestie dat er misschien onnodig doden zijn gevallen in Jan Bonga: daarvoor waren geen concrete aanwijzingen, aldus Joep Aarts. Om alle twijfel uit de wereld te helpen liet hij een onafhankelijk onderzoek instellen.
Dat onderzoek is uitgevoerd door Paul Froeling, emeritus hoogleraar verpleeghuisgeneeskunde uit Nijmegen. Afgelopen vrijdag presenteerde hij zijn bevindingen. Froeling is heel stellig in zijn conclusies: „Het is niet aannemelijk dat onvoldoende zorg in de periode 2007-2008 heeft geleid tot ongewenst voortijdig overlijden van patiĆ«nten. De uitspraak dat dit mogelijk wel het geval zou kunnen zijn, is gebaseerd op vage suggesties. Bij de bestudering van de dossiers is hiervan niets overeind gebleven.”
Anderzijds meldde Froeling wel dat hij is geschrokken van de kwaliteit van de zorg in Jan Bonga in de onderzochte periode. Met name op de onderlinge communicatie viel veel af te dingen. Het was allemaal top-down. Het ontbrak aan teamgeest met alle kwalijke gevolgen van dien. En passant gaf Froeling ook nog een sneer naar de drie verpleeghuisartsen. Na de vaststelling dat de zorg in Jan Bonga onder de maat was, ook vergeleken met vergelijkbare verpleeghuizen, schrijft Froeling: „Deze constatering betreft alle bij de zorgverlening betrokken disciplines. Naar mijn mening gold dit ook voor de manier waarop artsen hun rol en taak vervulden binnen het team.”
Froeling werkt dit laatste zinnetje verder niet uit, omdat hij de betrokken artsen niet heeft kunnen horen. Hoewel uitgenodigd om mee te doen aan het onderzoek, weigerden zij dit omdat zij zich niet konden vinden in de opzet. Zij hadden een overzicht willen hebben van alle sterfgevallen in de periode 2007/2008. Vervolgens hadden zij een selectie willen maken van die dossiers die naar hun idee ’verdacht’ genoeg waren voor een nader onderzoek.
Amsta ging hier niet op in. En zo ging Froeling aan de slag, op zijn eigen wijze. Hij baseert zijn conclusies op bestudering van twaalf patiĆ«ntendossiers. Jan Bonga telt zo’n tweehonderd bewoners. Bij binnenkomst is hun levensverwachting nog twee jaar. Dat betekent pakweg zo’n honderd sterfgevallen per jaar. Twaalf bestudeerde dossiers op honderd: dat lijkt wat mager voor stellige uitspraken.
De drie verpleeghuisartsen staan na dit onderzoek zeker niet in hun hemd. Dat de kwaliteit van de zorg in Jan Bonga heel labiel is, beaamt Joep Aarts zelfs nu nog. Blijft over dat de drie verpleeghuisartsen volstrekt naïef zijn geweest in hun verwachting dat zij via het voorbeeld van Jan Bonga een discussie over de hele verpleeghuissector op gang zouden kunnen brengen. Daarvan is het niet gekomen. Jan Bonga is een geïsoleerd geval gebleven.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.