*

 

Vroeger is echt vroeger in Arnhem

Monica de Ruiter − 02/09/09, 00:00

Vijf historische musea zijn voor de Museumprijs genomineerd. Trouw neemt alvast een kijkje. Vandaag: het Openluchtmuseum.

’Gemiddeld duurt het vijf jaar om de boerderijen en oude panden steen voor steen af te breken en hier in Arnhem weer op te bouwen”, vertelt Hans, een van de vele gastheren op het 46 hectare grote terrein van het Openluchtmuseum. Tussen de oude bomen en langs de grillige zandpaden verbergt de geschiedenis van ons land (voornamelijk de 18de en de 19de eeuw) zich in de muren van de vele authentieke boerderijen en panden. Een lint van levensechte bouwsels verbindt een molen, een dagloners-huisjes, een plaggenhut en een Van Gend & Loos-loods. Het leven zoals het vroeger was, lijkt opeens tot leven te komen.

Maar het komt pas echt dichtbij door verhalen van de gastheren en gastvrouwen die er rondlopen. Informatie staat ook op bordjes naast de panden, maar met hun verhalen vormen ze een verfrissende vervanging van de in andere musea vaak gebruikte audiotour en koptelefoons. Terloops ontvangen ze de bezoekers in een oude boerderij, een negentiende-eeuws schooltje uit Drenthe, of een Oldambtster boerderij uit het Groningse Beerta waar de landarbeidersstaking uit 1929 wordt nagespeeld. De vertellers gaan naadloos over in hun omgeving en hebben allemaal hun eigen specialiteit.

Hans draagt zijn grijsblauwe kiel die goed bij de tijd past. „Wij vinden het belangrijk om direct contact te kunnen maken met de bezoekers, om al hun vragen te kunnen beantwoorden. Het is wel moeilijk als het hier heel druk wordt, dan is het dringen”, lacht hij. Direct contact is er overal in het museum, met de huizen, de spullen of met de snoep in het oude winkeltje ’Zus en Jet’ in de Zaanse buurt. Je kunt de dieren aaien en met de historische trams over het terrein rijden.

De smid vertelt in de smederij wat hij aan het doen is, terwijl hij ondertussen het vuur hooghoudt met een grote blaasbalg. De gastvrouw in de wasserij vertelt geestdriftig over de molen, die nu wordt aangestuurd door een aandrijfmotor. Hierdoor draaien twee stampers rond in twee grote, houten waskuipen. „Deze stampten het vuil uit het wasgoed. Een wasvrouw bewerkte daarna de hardnekkige vlekken met een borstel”, legt zij uit. „Vroeger werd de molen voorgetrokken door een klein paard. Maar die was het na een uur zat, en dan namen de knechten het over.”

Uit de Veluwse zandgronden komt een boerderij uit de 18de eeuw. Aan het plafond hangen gedroogde tabaksbladeren en kruiden. Wekpotten staan op de plank. In de hoek zit een vrouw te weven. Zelfs de lucht doet denken aan oude dingen, voorbije tijden van stoffigheid, hout en aarde. Naast de bedstee hangt een bidprentje. „Mensen waren vroeger veel kleiner en sliepen zittend.” vertelt wevende Ingrid, die voor de gelegenheid een witte strokenmutsje heeft opgezet en zo uit de boeken van Ot en Sien lijkt weggelopen.

Uren lopen kun je er nog steeds. En daarom is het Openluchtmuseum nauwelijks een museum te noemen. Het is dorp middenin een stad. De duik in het verleden is rechtstreeks, verbluffend mooi; de oude tijden zijn tastbaar dichtbij. Na tien boerderijen weet je wel zo ongeveer wat een bedstee is, maar het blijft, ook als je moe bent geworden, duurzaam oud en van prachtige materialen gemaakt. Je zou er bijna de armoede en ziektes van destijds door vergeten.

Armoedige omstandigheden zie je wel af aan de groene barak uit de Lage Mierde in Noord-Brabant. In 1951 kwamen de Molukse mensen naar Nederland. Een jaar later werden de barakken gebruikt door Molukse gezinnen die vanuit Vught werden overgeplaatst. „Ze zouden maar vier maanden blijven, het werd veertien jaar”, vertelt rondleidster Esther, die als kind zelf van de Molukken naar Nederland is gekomen. Haar koffertje met kleine, leren schoentjes en geurolie staat ook tentoongesteld. „We moesten erg wennen aan de kou, beloftes werden niet waargemaakt en dan moet je ook nog spruitjes eten.” De rijen ijzeren stapelbedden krijgen een bizarre bijsmaak als blijkt dat het huis van de Nederlandse beheerder ernaast met keuken, badkamer en voorraadkast twee keer zo groot is als de woonbarak waarin een Moluks gezin met 10 kinderen moest wonen.

Voor kinderen is er ook overal ’vroeger’ als ze meehobbelen in een postkoets of papier scheppen in een drukkerij. En als je je ogen dichtknijpt bij de her en der vertoonde zwartwitfilmpjes, vergeet je even helemaal dat je toch echt in de 21ste eeuw leeft.

mailIcon print |