Marisa van Eyle speelt vissersweduwe Kniertje in Herman Heijermans’ ’spel van de zee in vier bedrijven’. Vanavond in prèmiere.
Als plaats van handeling voor zijn ’spel van de zee in vier bedrijven’ schrijft Herman Heijermans voor: ’Het Spel geschiedt in een Noordzee-vissersplaats’. Actrice Marisa van Eyle weet waarom Heijermans Katwijk, Scheveningen noch Wijk aan Zee met name noemt. ’Op hoop van zegen’ is behalve een theatraal drama oorspronkelijk (1900) ook een aanklacht tegen rederijen die wrakke schepen als ’drijvende doodskisten’ de zee opstuurden om verzekeringsgeld te kunnen opstrijken. Ze bekommerden zich amper om verdronken bemanning en lading.
Dank zij de ijver van de Britse parlementariër Samuel Plimsoll is elk koopvaardijschip ter wereld nu verplicht een zogeheten Plimsollmerk op de scheepsflanken te dragen: een laadlijn of diepgangsmerk waarop te zien valt hoeveel lading een schip maximaal mag herbergen.
Het dramatische vissersschip ’Op hoop van zegen’ droeg geen Plimsollmerk, en kwam nooit weerom. Slechts een dekluik en het lichaam van één bemanningslid spoelden aan. Simon de scheepsmaker had nog zo gewaarschuwd dat het vissersschip water maakt en ’de dood in het ruim met zich meevoert’, maar ach; die grommende en vloekende Simon is regelmatig dronken, en dronkaards, dat weet iedereen, die zeggen maar wat.
Toch weet het hele vissersdorp dat de ’Op hoop van zegen’ niet zeewaardig is en desalniettemin uitvaart. Dat maakt het hele dorp medeschuldig aan de (zoveelste) scheepsramp. Inclusief vissersvrouw Kniertje, die eerder al haar man en twee zonen aan de zee verloor, en nu haar laatste twee zonen aan de golven lijkt te offeren.
Marisa van Eyle (die de rol van Kniertje speelt): „Maar wat had Kniertje dan moeten doen? Regisseur Jaap Spijkers wil een kleine vissersgemeenschap tonen, waarin mensen zich conformeren. Kniertje had kunnen zeggen: ik stap uit die vissersgeneratie. Er moet brood op de plank, maar ik stuur mijn jongens niet naar zee, en ga iets anders voor ze zoeken. Elders bollen planten, bijvoorbeeld. Waarom doet ze dat niet? Omdat ze, uit angst en gemakzucht, kiest voor de veiligheid van het vissersdorp. Wie weet word je in de bollengemeenschap ook niet met open armen ontvangen. Liever lijden ze met z’n allen, dan dat ze zoeken naar een ander bestaan.’’
Kniertje kreeg fors grotere proporties toebedeeld dan Herman Heijermans zijn personage voorschreef. Van Eyle: ,,Als iedereen denkt dat je de vrouwelijke Hamlet gaat spelen, kan het alleen maar tegenvallen. Maar Kniertje heeft niet veel meer tekst dan de andere personages. En er verandert niet zo veel aan die vrouw. Ik kijk af en toe met jaloerse blikken naar wat de andere acteurs met hun personage doen.’’
Tot haar eigen verbazing wordt zij vaker geïnterviewd over haar Kniertjerol dan eerder voor haar theatrale Annie M.G. Schmidtvertolking. ,,Maar het gaat niet om Kniertje! Er is iets raars met de figuur Kniertje gebeurd. Het zal er wel mee te maken hebben dat Esther de Boer-Van Rijk haar meer dan 1000 keer heeft gespeeld, zeulend met dat pannetje soep, en dat de filmbeelden daarvan blijven hangen. Kniertje is geen titelrol; ’Op hoop van zegen’ is een ensemblestuk. (Grinnikend:) Als mensen denken dat ’Op hoop van zegen’ over Kniertje gaat, zullen er vast busladingen toeschouwers de schouwburg teleurgesteld verlaten.’’
Zelfs de gevleugelde woorden inzake de duur betaalde vis, zijn niet van Kniertje. Vissersvrouw Truus zegt dat tot tweemaal toe, al eerder. Kniertje praat dat Truus na, en verwijst daar ook naar: ’Truus het gelijk: de vis wordt dúur betaald’.
„Kniertje zit gevangen in haar eigen mechaniek. Je krijgt de neiging haar toe te roepen: ’Mens, doé iets!’ Maar dat doet ze dus niet. Ze maakt geen keuzes. Als het me lukt dat duidelijk te maken, is de voorstelling voor een groot gedeelte geslaagd. Het stuk is een klassieker met prachtige taal, en anderzijds een smartlap van alle tijden. Het heeft niks met ’kredietcrisis’ te maken of met ’hedendaagse armoede’ of dat je wel of geen tweede televisie kunt kopen. Integendeel! Toen ’Op hoop van zegen’ een paar jaar geleden in Senegal werd opgevoerd, dachten de toeschouwers: dat gaat over ons, over onze honger en ontbering! Die dachten dat er onlangs een Senegalees met grote schrijverscapaciteiten was opgestaan.’’
Hoewel zij als huilende Kniertje op de affiches en folders staat, laat Marisa van Eyle in de voorstelling nog geen anderhalve traan. Ze staat eerder stoïcijns stijf. Met een zwarte pruik strak als een achterwaarts gespannen zeilfok, ’alsof het een gevouwen bootje is’. Aan het slot, wanneer de omgang van de ramp haar Kniertje duidelijk wordt, valt zij de verantwoordelijke reder Bos in de armen. Niet uit hartstocht, maar versteend van acuut verdriet, diagonaal omvallend als een gevelde woudboom.
Hoewel ze meteen zag dat er ’nergens lucht’ in het stuk zit, dat Kniertje nergens verzucht: ’Ach, we zien wel’, of: ’Morgen is er weer een dag’, wilde Marisa van Eyle allerminst een ’slachtofferige vrouw’ van haar Kniertje maken. En toch moest Kniertje ’een eigen kleur’ krijgen. „Dat is de wet van een goedgeschreven stuk: je kunt haar wel met flapschoenen en een rode neusdop laten opkomen, maar een clown zal Kniertje nooit worden. Al was het maar om de talloze regie-aanwijzingen die Heijermans voorschrijft. Net als al die lettergreepaccenten. Die je eerst allemaal overboord zet, om er ironisch genoeg al in de eerste repetitie achter te komen dat driekwart ervan op hun plaats staat. Je begint elke eerste repetitie – zien wat het niet moet zijn – met twee linkerhanden.’’
Heijermans’ regieaanwijzingen hoe Kniertje zich dient te gedragen waren nog rond: ’Driftig, lief, eindigt in zacht snikken, nijdig, schrikkend, angstig-verwijtend, angstig – op schreien af, vals, huilerig, gejaagd, kwaadaardig, driftig, pratend als met ’n kind, gedachteloos, moeilijk, haar voorhoofd en polsen bettend, kermt zachtjes, dof-glimlachend.’
Essentieel vindt zij Kniertjes bijdrage in de ’nachtscène’, waarin de vissersvrouwen tijdens een razende storm troost bij elkaar zoeken door te vertellen hoe een broer of man naar de haaien ging. Eerst weert Kniertje af, om vervolgens toch over haar verdronken man en zoon te verhalen. „Na zoveel jaar herinner je je de gezichten niet goed meer. Daar dank je God voor, want hoe erg zou het zijn als je de herinnering hield.’’
Van Eyle: „Alle vissersvrouwen zijn er door geraakt. Alles vervaagt, kennelijk. En dat houdt je, letterlijk goddank, op de been. Nu hebben we allemaal foto’s en filmbeelden om te herinneren. En toch vervagen herinneringen. Als ik het huis, waarin ik vijftien jaar ben opgegroeid, zou moeten uittekenen Dat is nu ingedikt tot een bouillonblokje herinnering.’’
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.