*

 

Een reddende engel zonder grote woorden

Mart Smeets − 23/05/09, 00:00

In maart leerde ik hem een heel klein beetje kennen. Een wat stille, ingetogen man. Hij zag er sterk uit en ik hoorde van omstanders dat hij zo ongeveer de reddende engel van het altijd op de pof levende Cambuur Leeuwarden was.

Ik had wel eens over hem gelezen, maar op die avond kwam ik naast hem te zitten. We deelden een tafel tijdens een bijeenkomst voor een goed doel in Amsterdam. Ik vroeg hem wat hij in die Friese ploeg zag. Waarom had hij zich ingezet om Leeuwardens voetbaltrots gezond te houden?

Zijn antwoord was simpel: „In Nederland kan geen enkele profclub bestaan zonder gekken zoals ik.” Waarna een mooie stilte viel. Ik probeerde nog: „Scheringa bij AZ, Hendriks bij Roda, Philips bij PSV?”

Hij lachte slim en zei: „Geen enkele club kan zonder financiële injecties leven. Of het van een sponsor, de gemeente, de provincie of particulieren komt, het maakt niets uit. Voetbalbestuurders kunnen de broek zelf niet ophouden.”

Hij was geen man van veel en ook vooral niet van veel grote woorden, maar deze uitspraak mocht er wezen. Ik vroeg hem waarom hij dit deed. Hij haalde zijn schouders bijna onzichtbaar op: waarom niet?

Leeuwarden had een voetbalploeg die zijn ankers diep in de bevolking had zitten, dus moest er iemand zijn die een beetje op de boel paste.

Die avond kocht hij bij de veiling van de Stichting Kika (Kinderen kankervrij) een aantal stukken. Zoals hij wel meer deed als er ’goed gedaan’ moest worden. Een van die stukken was speciaal. Het was een hardplastic bord met het logo van de Spelen van Peking erop. Ik had dat bord in 2008 laten tekenen door een veelheid aan sporters. Tot en met de premier hadden ze het gedaan: J.P. Balkenende stond stoer tussen medaillewinnende roeisters, judoka’s en hockeysters.

Dat bord was een typisch hebbe-ding voor zo’n veiling en hij, Jan Riedstra, de weldoener van Cambuur, stak telkens zijn hand op als er geboden werd. Bij 20.000 euro stokte de bieding. Was dat het eindbedrag? Riedstra wachtte. Bij het eenmaal, andermaal, tilde hij voorzichtig zijn hand op: 21.000 euro.

Hij wilde het bord graag hebben. Voor een familielid dat erg ziek was. Misschien dat er een duplicaat gemaakt kon worden. Dan zou dat in het stadion van Cambuur opgehangen worden. Als herinnering aan de Spelen van Peking. Daar mochten de Leeuwarders zich aan vergapen.

Na die avond zag ik hem nog twee maal. Een keer bij weer een charitatieve bijeenkomst. We spraken kort. Over voetbal, over schaatsen, over Sven Kramer. Over tegenslag.

De laatste maal dat ik hem zag was op Koninginnedag. Hij dronk, met vrienden een glas bubbels op het terras bij L’Europe in Amsterdam. Rijke vastgoedmensen komen daar jaarlijks samen; brothers in arms. Om het vilein te stellen: het Harry Mens Jongensclubje.

Hij zou daar ongetwijfeld ook de stilste van allen zijn, bedacht ik.

Toen ik las dat Jan Riedstra donderdag op 65-jarige leeftijd overleden was, moest ik terugdenken aan zijn laatste woorden in Amsterdam: „Ik had me voorgenomen om tot 20.000 euro te gaan, maar er was iets aan dat bord met die handtekeningen Ik heb nooit en nergens méér uitgegeven dan dat ik vooraf tegen mezelf had gezegd te zullen doen. Hier wel. Dat bord had wat. Ja, emotionele waarde. Klopt, hetzelfde als Cambuur.”

En er volgde een mooi zwijgen.

mailIcon print |